Nieuw Clarenbeek aan de Cotticarivier / Commewijnerivier
situatie 2001 (volksnaam: komisi = commies)linkeroever in het afvaren van de Commewijne
volgorde: Constantia, de Goudmijn, Nw Clarenbeek, Craskreek
De plantage grenst zowel aan de Cottica als de Commewijne. Volgens alle bronnen lag het plantagecentrum aan de Cottica. Thans is de plantage is volledig overwoekerd met bos. Er resteren slechts een kappa en een vrij recent graf aan de zijde van de Cottica:
Wilhelm
L. Carbierre
geb: 20 Juni 1858
overl: 27 aug: 1927 ..."
Chronologie
- 1737 - Cornelis Leever sr: (kaart Lavaux, 1737)
- 1770 - wed. de Bruyn & comp (kaart Lavaux, 1770)
- 1793 - M. van Arp, W. E. Hageman, I. N. de Bruin (almanak 1793)
- 1821 - J. J. Lotichius, D. Lotichius, fonds v. Arp en Hageman (almanak 1821)
- 1843 - fonds onder Fraissinet & van Baak (almanak 1843)
- 1863 - emancipatie
- 1858 - A: F: Lissone
- 1880 - G: H: Samson
- 1893 - F: C: Curiel
- 1908 - F: C: Curiel
- 1919 - F: A: Lionarons
- 1927 - F: A: Lionarons
- 1927 - 2003 nader uit te zoeken.
1737 - Cornelis Leever sr: (kaart Lavaux, 1737)
Cornelis Leever begon zijn carriere in de West in 1728 als secretaris van commandeur E: Raeckx van St: Eustatius. Op het kleine eiland had hij weinig mogelijkheden tot ontplooiing, maar hij was slim genoeg om de meer lucratieve positie te verwerven van 1e commies der slavenhandel in Suriname. Hij arriveerde alhier in april 1730.De commies der slavenhandel in dienst der West Indische Compagnie moet een machtig man zijn geweest, want slaven waren schaars in de snel groeiende kolonie, en de WIC had het monopolie op dit schaarse goed.
Keer op keer leest men in de geschiedenis dat de WIC een verlieslatende zaak is geweest. Dit moge zo zijn geweest voor de aandeelhouders, maar voor de ambtenaren en bewindvoerders lag de zaak geheel anders. Zij hebben er goed aan verdiend.
De spil waar alles om draaide was natuurlijk de slavenhandel. Planters die onder gunstige voorwaarden en op krediet aan slaven konden komen, konden grote winsten behalen. Uiteraard was men gaarne tot een tegendienst bereid. Vele hoge ambtenaren der WIC hielden er een eigen rederijtje op na, en bevoordeelde planters sloten gaarne transportcontracten met hen af, al was het ook wat duurder voor wat hoort wat !
De 1e commies van de slavenhandel was de grote man achter de schermen. Hij procedeerde tegen wanbetalers of juist niet ; hij stelde onderhandse verkoopvoorwaarden vast of liet dit juist achterwege. Voorts was hij verantwoordelijk voor de slavendepots, de openbare venduen, en de incassering der retributiegelden van de slavenschepen.
Naast zijn normale werk bleek Leever in staat 3 plantages op te richten, en te bemensen met voldoende slaven zonder twijfel op gunstige voorwaarden. De oude bijnaam "Komisi" (= commies) die de slaven hebben gegeven aan zijn plantage Nieuw-Clarenbeek is veel meer dan zomaar een vriendelijk bijnaampje. Het is een duidelijke referentie aan de machtige positie van de commies, en zijn expliciete macht om de slavenbevolking te manipuleren. In totaal zijn er maar 4 openbare functies geweest die de slaven voldoende belangrijk vonden om te gebruiken als plantagebijnaam: "granman" (gouverneur) ; "fiskarie" (raad-fiscaal, de openbare aanklager), "komisi", en "domini" (dominee).
De plantage is 488 akkers groot en opgezet als een koffieplantage. Leever was ook eigenaar van de plantage Leeverpoel aan de overzijde der rivier.
De plantage is genoemd naar Geertruijda Clara van Beeck, echtgenote van Cornelis Leever. Er bestond echter al een plantage Clarenbeek ; deze lag aan de Commewijne, en was het eigendom van de erven Muenix. Cornelis noemde de nieuwe grond derhalve "Nieuw Clarenbeek". Er bestond in de periode 1731 - 1733 een schip van dezelfde naam dat op Suriname voer, onder schipper Jan Smit. Waarschijnlijk is het schip naar de plantage genoemd, dat kwam wel meer voor.
Clara van Beek was in 1721 in Suriname gearriveerd, samen met haar zus Anna Constancia. In december van dat jaar schreven zij zich in als lidmaat van de hervormde kerk.
Cornelis en Clara trouwden in 1730, 2 maanden na Leever's komst in Suriname:
Cornelis en Clara trouwden "in huis", en betaalden de verplichte boete van 50 gulden aan de kerk. Het is vreemd dat dit eerste huwelijk geen van beiden was eerder gehuwd geweest niet feestelijk in de kerk werd ingezegend.
Over kinderen is niet veel bekend, de doopboeken uit die tijd zijn verloren gegaan. In ieder geval was er een zoon, Cornelis junior, die zijn leven lang in Suriname heeft gewoond, en diverse malen in de archieven voorkomt.
In 1735 werden zowel Leeverpoel als Nieuw Clarenbeek geinventariseerd. De reden is vooralsnog onbekend.
In 1744 verkreeg Leever senior 500 akkers grond aan de beneden-Commewijne. Samen met het benedenstrooms gelegen land van Mattheus Freher werd de grond verenigd tot een gezamenlijke plantage, van toen af toepasselijk "l'Union" geheten. In 1749 werd de plantage weer verdeeld. Leever hernaamde zijn bezit in "De Gescheurde Unie".
Op een gegeven moment, wanneer is niet bekend, repatrieerde Leever naar Nederland. Hij vestigde zich te Amsterdam. Hij bleef zaken doen met Suriname, en richtte daartoe het negociatiefonds Leever & de Bruijne op. Via dit fonds had hij belangen in een groot aantal Surinaamse plantages.
Leever senior is in 1763 gestorven. Zijn overlijden werd door zijn zoon in de kerk van Paramaribo bekend gemaakt.
1770 - wed. de Bruyn & comp (kaart Lavaux, 1770)
Anne Constantia van Beeck, de zus van Clara van Beek, was getrouwd met Jacobus de Bruijn. Hun kinderen Willem en Anna Cornelia erfden de plantage, ieder voor de helft. Hoe deze vererving precies is verlopen, is niet bekend. Het lijkt logisch dat Cornelis Lever junior ook erfgenaam behoorde te zijn, maar dit is niet het geval.Willem de Bruin was gerepatrieerd en had zich gevestigd te Antwerpen. Hij overleed in 1769. Anna Cornelia bleef in Suriname. Zij huwde er met de garnizoensboekhouder Joan Baptist van Rensselaer, en na diens dood in 1767 hertrouwde zij met de veel jongere Carel Fredrik Bilburg uit Zweden. Zij overleed in 1774 te Amsterdam.
In 1766 nam Anna Cornelia deel in het grote negociatieproject van het handelshuis Harman van de Poll te Amsterdam, de z.g. negociatie "La.A". Dit huis verstrekte een lening van in totaal ruim F2.000.000,- aan 21 plantages in Suriname. Het is niet bekend welk bedrag aan Nieuw Clarenbeek is geleend. De interest bedroeg 6%. Als zekerheidsstelling werd haar helft van de plantage onder hypotheek gesteld. (Voort, Johannes Petrus van de de West-Indische plantages van 1720 tot 1795 ; proefschrift 1973)
1793 - M. van Arp, W. E. Hageman, I. N. de Bruin (almanak 1793)
directeur J: N: Hilman ; administrateurs Friderici, Wolff, KuvelHet is niet bekend hoe en waarom de lening van v.d. Poll door het fonds van Arp en Hageman is overgenomen. Het negociatiefonds was eigenaar van 10 plantages.
1821 - J. J. Lotichius, D. Lotichius, fonds v. Arp en Hageman (almanak 1821)
De plantage produceerde koffie ; directeur was S: F: Dompig ; De administratie werd gevoerd door de heren F. Taunay, J. G. Telting, J. Fleischer, en W. Ruhle.1843 - fonds onder Fraissinet & van Baak (almanak 1843)
488 akkers, koffie, 105 slaven ; directeur M: Thieler ; administrateurs J: Frouin & C: BarendsAl meer dan een eeuw lang werd koffie geteeld op dezelfde kleine grond van 488 akkers. Blijkbaar was dit nog steeds rendabel. J. L. Brockman aquarelleerde de plantage in 1860. Het geheel ziet er verzorgd uit.
"Plantaadje Nieuw Clarenbeek, aan de rivier Cottica in Suriname", J. L. Brockman, 1860.
Tropenmuseum, Amsterdam
1863 - emancipatie
De eigenaren waren Antonius Franciscus Lissone (op plantage Ponthieu te Suriname) voor de helft, en het fonds van de heren Fraissinet en Van Baak te Amsterdam voor de andere helft ; de "tegemoetkoming" bedroeg f 28.500,- en f 900,- voor 96 slaven. Lissone claimde het volledige eigendom, maar kreeg slechts 1/2 deel toegewezen.Vanaf 1858 - contractarbeid
In 1858, met het oog op de afschaffing van de slavernij, werd een kleine groep van 19 chinese contactanten geworven.
In 1863 volgde de afschaffing van de slavernij, gevolgd door 10 jaar staatstoezicht. Pas 7 jaar later, in het jaar 1880, begon Clarenbeek met het aanwerven van contractanten, een verrassend laat tijdstip. Mogelijk was er al die jaren maar weinig verloop geweest in de creoolse werkmacht.
In de periode 1880 - 1927 arriveerden 183 hindustaanse en 164 javaanse arbeiders op de plantage. Op hun registratiekaarten staat de naam van hun werkgever vermeld:
1858 - A: F: Lissone
1880 - G: H: Samson
1893 - F: C: Curiel
1908 - F: C: Curiel
1919 - F: A: Lionarons
1927 - F: A: Lionarons
1927 - 2003 nader uit te zoeken.
Bronnen
boeken en artikelen
1.1 - Fred Oudschans-Dentz, de betekenis en herkomst der Surinaamse plantagenamen, WIG ; FOD noemt de aankomstdatum van Leever in Eustatius en Suriname, maar vermeld niet de bron van herkomst.databases op het internet
2.1 - Philip Dikland database Oud Archief der burgerlijke stand in Suriname, site Algemeen Rijks Archief, 's Gravenhage.2.2 - Maurits Hassankhan databases hindustaanse en javaanse contractanten
2.3 - Heinrich Helstone, Okke ten Hove, e.a. - database emancipatie 1863.
Inventarisaties:
1735 - ARA NOT ?
geen nadere gegevens bekend.1763 - ARA NOT inv. no. 214 p. 635
488 akkers, 186 slaven, koffie, weidegrond, cappewirie, cacao, cassave, bananen, schapen, hoornbeesten, varkenseigenaar: mr: Willem de Bruijn ; Joan Baptist van Renselaer, boekhouder des garnizoens der kolonie, echtgenoot van Anna Cornelia de Bruijn.
1768 - ARA NOT inv. no. 227 p. 757
488 akkers, 198 slaven, koffie, cacao, bananen, tayer, weidegrond, moestuin, pluimvee, duiven, hoornbeesten, schapen, varkens ; taxatie Nf 220.400,30eigenaar: Anna Cornelia de Bruijn weduwe Van Rensselaar (1/2 deel) ; mr: Willem de Bruijn tot Antwerpen (1/2 deel)
