Suikerplantage Wajampibo aan de Commewijnerivier
volksnaam : niet bekendrechteroever in het afvaren
volgorde: Nimmerdorr, Wajampibo, Nieuw-Appecappe, Fauquemberg, Vlammenburg
meetkaart plantage Wajampibo, 1830. Vervaardigd door landmeter L.S. Ferleman.
- Chronologie
- Bronnen
- boeken en artikelen
- databases op het internet
- inventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag
- archief Dienst der Domeinen te Paramaribo
Chronologie
- 1671 of eerder stichting ; Isaac van Mildert (kaart Mogge 1671)
- 1686 - Coderq
- 1688 - Balten Perduyn ; hoofdkwartier van het burgerleger.
- 1737 - Gerrit de Vree (kaart Lavaux 1737)
- 1770 - erv. H. W. Bransse (kaart Lavaux 1770)
- 1784-december 28 Debet M: S: Braamer (boedel) - A kerkegeregtigheijd voor het begraaven van hem zelfs op de pl: Wajampibo den 12 deeser door de heeren weesmeesters f 16,15
- 1793 - C. V. en D. A. Branzen, van Engelen (almanak 1793)
- 1821 - M.M. Broen Mz. qq.
- 1830 -
- 1843 - erv. J. de Vries & R. Le Chevalier (almanak 1843).
- 1863 - verlaten
- 2005 -
1671 of eerder stichting ; Isaac van Mildert (kaart Mogge 1671)
Op de kaart van Mogge uit 1671 wordt Isaac van Mildert vermeld als de eigenaar van de plantage. De volgorde stroomafwaarts is als volgt: Carewassebo kreek plantage val Leyll Isaac van Mildert. Daarna zijn er tot aan de Casewinica geen plantages meer.Op Mogge's kaart staat Mildert's naam met blokletters aangegeven, ten teken dat het ging om een grotere plantage met een suikermolen.
Wie was Van Mildert ? Hij arriveerde in 1668 vanuit "Abrewacka" met 8 kolonisten. Suriname voerde in die tijd een actieve campagne in het caraibisch gebied om planters naar Suriname te lokken, en Van Mildert was één dergenen die daaraan gevolg had gegeven. Men had hem op gunstige voorwaarden alle benodigdheden aangeboden om een plantage op te starten :
Van Mildert heeft daarna zijn leven in Suriname doorgebracht. Wij zien hem als één der ondertekenaars van een petitie van de inwoners aan de Staten van Zeeland dato maart 1671. De voorgestelde maatregelen ter gezondmaking van de kolonie waren over het algemeen zinvol en goed doordacht en nooit uitgevoerd. Want daar was geld voor nodig, en investeren wilden de Staten van Zeeland niet zozeer, zij wilden winst uit de kolonie halen.
Tevens geeft de petitie exacte informatie over de staat van het land. Er waren 500 blanken, 2500 negros en 500 indiaanse slaven. Er waren 52 plantages met suikermolens, en daarnaast nog vele kleinere.
In 1675 wordt Van Mildert vermeld op de "lijste van weerbare mannen der duijtsche natie" (RAZ 2035-262). In 1679 was hij raadsheer van justitie en politie. Hij was het niet eens met beleidsmaatregelen van gouverneur Heinsius, en protesteerde daar krachtig tegen. Hij zette blijkbaar ook de planters van de Commewijne aan tot burgerlijk verzet, en Heinsius was daar niet over te spreken :
& Isaack van Mildert sich als hooft getoont heeft te wesen van de oproerigen in de Commewine, als Uwe Ed: Mo: geadviseert hebbe, ben alsnoch van opinie, dat soo een man hoorde uijt het Landt gesonden & alle sijne goederen publijck vercoght te worden, tot soodanich gebruick als Uwe Ed: Mo: sullen goetvinden te ordonneren .. 't Soude na mijn opinie een groot ontsach maken dat men soo een voornaem planter ofte twee 't Land uijtsond & sijne goederen ex tempore soo publijck dede vercoopen, opdat hij seffens mochte geruineert wesen. Ick meen andere souden een exempel daeraen nemen ..."
Maar Van Mildert heeft de campagne van Heinsius tegen zijn persoon overleefd. In 1681 werd hij door gouverneur Verboom herbenoemd in de politieke raad. Wat er daarna met hem is gebeurd, is schrijver dezes onbekend. Hij wordt door Van Sommelsdijck, gouverneur vanaf 1684, niet genoemd, en was mogelijk reeds overleden.
1686 - Coderq
Volgens de z.g. "Labadistenkaart" uit 1686, was ene Coderq de eigenaar van Wajampibo. Mogelijk betreft het hier Jaques Coderq, gehuwd met Marie Walraven. Of anders Jan Coderq, op dezelfde kaart vermeld als eigenaar van de meer stroomafwaarts gelegen plantage Killestein Nova.In 1688 vervaardigde Frederic de Wit de eerste nauwkeurige kaart van Suriname, waarop de vorm van iedere plantage staat aangegeven. Wajampibo had toen al dezelfde vorm als thans. De legenda van De Witt's kaart is verloren gegaan, zodat er geen bevestiging is dat Coderc inderdaad de eigenaar is.
1688 - Balten Perduyn ; hoofdkwartier van het burgerleger.
Balten Perduyn, de eigenaar van Waiampibo in 1688, was in 1675 reeds in Suriname, en wordt vermeld op de lijste van weerbre. mannen der duijtsche natie van dat jaar (RAZ 2035 - 262). In 1680 was hij burgemeester en lid van de krijgsraad, en kreeg hij een plaats in de vergrote Raad van Politie.Maar Balten Perduyn was niet geliefd bij de gouverneur Van Sommelsdijck, die in 1684 het bestuur van de kolonie overnam. Hij werd door hem in een van zijn brieven beschreven als "belemmert en wispelturigh,, vol muysenesten, het reght soeckende te crommen".
Het is daarom ietwat ironisch, dat juist Perduyn's plantage Wajampibo werd gekozen als hoofdkwartier van het ontzettingsleger na de moord op de gouverneur. Perduyn zelf speelde in dat drama geen leidende rol. Hij bekleedde geen bestuursfunctie, want daarvoor had Van Sommelsdijck hem niet geschikt geacht. Wij volgen de gebeurtenissen :
Op 19 juli 1688 werd gouverneur van Sommelsdijck vermoord door een groep van 20 muitende soldaten, die uiteindelijk in opstand kwamen tegen de te zware taak die hen jarenlang was opgelegd. De commandeur Verboom werd zwaar verwond. Hij stierf de 28e. Na de moord kwam het volledige garnizoen van het fort Zeelandia in opstand. In totaal waren er nu zo'n 150 muiters. Paramaribo werd bezet en de burgers moesten hun wapens afgeven.
Pas op de 21e bereikte het bericht de Commewijne. Op 22 juli kwamen de 7 raadsheren die in de Commewijne woonden en de burgerkapiteins met hun in de wapens geroepen burgerij bijeen op het fort Cottica, dat als een generaal rendez-vous was gesteld.
Op vrijdag de 23sten juli, begaven de raadsleden zich met het garnizoen van fort Cottica en de burgers uit de Commewijne naar de plantage Wiampibo van de heer Perduyn, ongeveer 60 mijlen van het fort Zeelandia gelegen, waar kamp werd gemaakt. Waarom bleven ze eigenlijk niet op fort Cottica ? Onduidelijk, maar uiteindelijk pakte het plan goed uit. De 23e schreven zij een brief aan de muiters met een verzoek om de situatie op Wiampibo te komen uitleggen. Tevens ging er een brief naar de raadsheer Bachman in de Surinamerivier die samen met Samuel Nassy de burgermilitie aldaar al onder de wapenen had geroepen, in totaal 130 man met nog een groot aantal negers, verdeeld over drie schepen en een aantal tentboten..
In de nacht van 23 op 24 kwam een delegatie van de muiters naar Wiampibo. Zij legden hun versie van het gebeurde uit, en verklaarden dat zij met een schip het land wilden verlaten. Zij trachtten een verdrag met de Raad te sluiten, die daar echter niet op inging, maar het ook niet afsloeg. De Raad moedigde de muiters aan om volgens hun eigen plan zich zo snel mogelijk in te schepen en het fort Zeelandia te verlaten.
De 27e scheepte vertrok het legertje met de Raad vanuit Wajampibo naar Paramaribo, terwijl gelijktijdig het leger van de Surinamerivier naar Paramaribo optrok. Het net begon zich te sluiten. Inmiddels hadden de muiters niet bijzonder snugger zich inderdaad ingescheept, en het sterke fort, hun enige kans op behoud, verlaten. De Raad trachtte nu de zaak zonder verder bloedvergieten op te lossen, en zond een militair bij hun aan boord, met een brief waarin een generaal pardon werd beloofd aan diegenen die niet rechtstreeks aan de moord hadden deelgenomen.
".... gelijk wy dan by dezen declareeren, dat onze opregte meeninge is, te pardonneeren, gelyk wy pardonneeren by deezen, allen dengeenen, die niet bevonden zullen handdadig te zyn aan het doodschieten van onzen Heer Gouverneur ..."
Men stelle zich de situatie aan de Waterkant voor: het fort was ontruimd, de muiters waren allen scheep gegaan. Paramaribo en het fort waren door de Raad overgenomen ; het schip met de muiters werd omringd door schepen en scheepjes van de burgermilitien en het garnizoen van fort Cottica. De muiters konden geen kant op, zij hadden hun kansen verspeeld. De brief werd voorgelezen, en gaf aan de meesten hoop op pardon, maar niemand durfde de schuldigen aan te wijzen, want zij hadden onder elkaar een plechtige belofte gedaan om als eenheid op te treden. Uiteindelijk werd natuurlijk de eenheid toch doorbroken, en 16 personen uitgeleverd en in bewaring gesteld. De de overigen gaven zich over en werden aan wal gebracht.
Hierna volgde een korte rechtzaak ; Op 2 augustus werden 11 muiters ter dood gebracht. Nadien werden 60 muiters uit de kolonie verbannen. Zij vertrokken in groepjes van 5 a 6 met retourschepen naar nederland, waar zij volgens belofte werden vrijgelaten.
(Oudschans-Dentz 1938, p. 158-180)
1737 - Gerrit de Vree (kaart Lavaux 1737)
De stroomafwaartse volgorde der eigenaren was als volgt :43
Crawassibo
Dhr. Van der Marsch
42
Nimmerdorr
Erv. J. Municx
40
Wijampobo
Gerrit de Vree
39
Appecappe
Erv. Goedde
Ook wel Nieuw-Appecappe
38
Den Burg
B. van der Meulen
Later: Fauquemberg
37
Vlamenburg
Erv. Landsbergen
In 1737 was Gerrit de Vree de eigenaar van de suikerplantages Wajampibo en Vossenburg aan de Commewijne.
Gerrit de Vree had Vossenburg verkregen door zijn huwelijk in 1705 met de weduwe Emilia Regina Broen, de eigenaresse van Vossenburg. Zij overleed in 1707 in het kraambed. Gerrit hertrouwde het jaar daarop met Abigail Agatha van Sandijck, lid van de invloedrijke familie Van Sandick uit Wijk bij Duurstede.
Uit dit huwelijk zijn 2 kinderen bekend : Jacoba Agnes (1710) en Joanna Elisabeth (1713) ; de doopregisters zijn volledig tot 1730, maar meerdere kinderen worden niet vermeld.
In 1726 was Gerard de Vree raadsheer van het Hof van Civiele Justitie (index inventarissen). In 1727 werd zijn volledige bezit geïnventariseerd (Wayampibo, Vossenburg, diverse roerende goederen). De reden is niet bekend. Dergelijke inventarisaties werden wel eens gemaakt voorafgaand aan een grote reis. Mogelijk repatrieerde hij met zijn gezin naar Nederland. In ieder geval komt hij na 1727 niet meer in de Surinaamse archieven voor.
1770 - erv. H. W. Bransse (kaart Lavaux 1770)
Wajampibo en Vossenburg waren bveide in het bezit van Hendrik Willem Brantsen (1704-1789), woonachtig in Arnhem, en gehuwd met Johanna Elisabeth de Vree, dochter van Gerard de Vree en Abigail van Sandick.. Het echtpaar heeft nooit in Suriname gewoond. Ook hun kinderen, die later de plantages erfden, hebben Suriname nooit gezien.Hendrik Willem Brantsen was in 1751 raadssecretaris van Arnhem. Zijn vader was burgemeester vn Arnhem. In 1743 kocht Hendrik Willem het uit 1650 daterende kasteeltje "Zypendaal" te Schaarsbergen, thans een deel van Arnhem. In 1762-64 liet hij het ombouwen tot een fraai buiten met koetshuizen en oranjerie. De opbrengsten van Wajampibo en Vossenburg zullen niet weinig hebben meegeholpen bij de verbouwing. Het kasteel bleef nog generaties lang in het bezit van de familie Brantsen. Ook op andere wijze heeft het geld van de Surinaamse plantages de familie geholpen: Hendrik Willem's nageslacht werd in de adelstand verheven en mocht de titel baron voeren.
(gegevens Brantsen o.a. genealogie homepage Jeroen en Gerdien Nikkels
http://members1.chello.nl/~j.nikkels/gen/papier/families/indexV.html )
Van Stipriaan geeft aan, dat in 1776 zowel op Wayampibo als op Vossenburg een staking uitbrak onder de slaven. De reden is vooralsnog niet bekend.
Want over het functioneren van de plantage, en de behandeling der slaven, is weinig bekend. In de archieven wordt af en toe het overlijden van plantagepersoneel vermeld :
1784-december 28 Debet M: S: Braamer (boedel) - A kerkegeregtigheijd voor het begraaven van hem zelfs op de pl: Wajampibo den 12 deeser door de heeren weesmeesters f 16,15
het landgoed Zypendaal te Arnhem. (foto van het internet)1793 - C. V. en D. A. Branzen, van Engelen (almanak 1793)
B. van Campen was de directeur. De administratie werd gevoerd door J. Stockel. Ook Vossenburg behoorde nog tot het bezit.1821 - M.M. Broen Mz. qq.
De plantagedirecteur was J. C. Hergert. C. L. Weissenbruch en S. M. Klein voerden de administratie.1830 -
In 1830 bezocht de schrijver M.D. Teenstra de plantage om gegevens te verzamelen voor zijn boek "de landbouw in de kolonie Suriname". Wajampibo was toen een middelgrote suikerplantage met 141 slaven. Het areaal omvatte 2000 akkers. Modern was de plantage niet : het suikerriet werd geperst met een beestenmolen, een oud molentype dat weinig efficient was, en waarmee niet krachtig geperst kon worden. Op de meeste plantages was het allang vervangen door watermolens of stoommolens.1843 - erv. J. de Vries & R. Le Chevalier (almanak 1843).
De plantage had een slavenmacht van 123 mensen. M.J. Pilander was de directeur, en de administratie werd gevoerd door H.A. Tirion .& J. de Jager Ez.1863 - verlaten
De plantage komt niet voor in de plantageregisters, en was, na bijkans 2 eeuwen in gebruik te zijn geweest, verlaten.2005 -
De plantage Wajampibo is geheel overwoekerd met bos.
Bronnen
boeken en artikelen
1.1 - Fred Oudschans-DentzCornelis van Aerssen van Sommelsdijck, amsterdam, 1938 ; p. 158-180.
1.2 - Alex van Stipriaan
Surinaams contrast KITLV, 1993
databases op het internet
2.1 - Philip Dikland oud archief der burgerlijke stand in Surinameinventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag
1727 - ARA NOT inv. no. 161 f. 056
inventarisatie Wayampibo (eigendom de Vree) ; geen nadere gegevens bekend.1727 - ARA NOT inv. no. 161 f. 146
inventarisatie Vossenburg ; (eveneens eigendom de Vree) geen nadere gegevens bekend.1727 - ARA NOT inv. no. 161 f. 130
inventaris van de partie effecten op de plantg: Vossenburg bevonden, aankomende Gerard de Vree1727 - ARA NOT inv. no. 161 f. 160
inventaris van de goederen van de heer Gerard de Vree aan Paramaribo bevondenarchief Dienst der Domeinen te Paramaribo
1830-meetkaart
Kaart Der plantage Wajampibo gelegen in de rivier boven Commewine ter regterhand in het opvaaren tusschen de plantage Nimmerdor en Appecappe in het certificaat in triplo breeder omschreven en in de nevenstaande figuur door de letters ABCD aangeduid.Actum Paramaribo den 24 juij 1830
Den gesworen landmeeter en rooijmeester der kolonie
L: S: Ferleman
Approbeerd bij Gouvernement Resolutie van 30 junij 830 no. 598
...................2 kom:
