koffieplantage Nijd en Spijt aan de Commewijnerivier

volksnaam "grani" - Grand
beneden-commewijne, linkeroever bij het afvaren
volgorde bij het afvaren: Wederzorg, Welgelegen, Mon tresor, Nijd en Spijt, Alkmaar, Sorgvliet

De sporen van de dijkdoorbraak van enkele jaren daarvoor zijn nog duidelijk te zien

Plantage Nijd en Spijt op de kaart van Bakhuys en De Quant uit 1930.

Chronologie

ca. 1744 - aanleg plantage door Mattheus Freher

De aanleg van de plantage komt op naam van het koopmangeslacht Freher te Amsterdam. Deze hebben tijdens de hausse in de Surinaamse plantage-economie behoorlijk geïnvesteerd in plantages, en hebben deze weer verkocht toen de prijzen gunstig waren. Het heeft hun geen windeieren gelegd. Tijdens de opbouw van hun plantagebezit hebben de jonge broers Matheus en Nicolaas Freher lange tijd in Suriname gewoond, wel beseffend dat dit de enige manier was om de zaken goed van de grond te krijgen.

Mattheus Freher (1710 - 1778) liet op 27 december 1735 in Suriname huwelijkse voorwaarden opmaken voor zijn echtverbintenis met Hermina van Beek. In 1737 was hij magazijnmeester en afslager. Hij had belangen in de volgende plantages: 1/4 van "Bel á Soir", 1/2 van "l'Union' en 1/9 van "Beekveld". Het echtpaar verhuisde omstreeks 1749 naar Amsterdam, waar zij een huis huurden aan de Heerengracht. In dat jaar althans gaf Mattheus machtiging aan zijn broer Nicolaas, om zijn Surinaams bezit te beheren. Mattheus wordt later genoemd als commissaris van het Touwwerk en kapitein van de Burgerij. (geg: zie "Amstelodamum", 1944, publicatie over de slavenhandel, door Chr. P. Veeghen). Verder voerde Mattheus de administratie van de rederij "Freher", zie hierna.

Broer Nicolaas (1713 of 14 - 1782) werd raad van de Politie en Criminele Justitie in Suriname. 1740-1751 was hij ontvanger van de Hoofdgelden en later ook nog van de In- en Uitgaande Rechten. Hij had belangen in de plantages "Weltevreden", aan de Beneden Commewijne, 'Charlottenburg', aan de Cottica en "Bel á Soir" aan de Pauluskreek.
Hij huwde met de zeer vermogende Philippine Johanna l'Espinasse (? - 1758), dochter van van Anna van Rijn en van Francois l'Espinasse, in 1719 raad van de Civiele Justitie en één van de rijkste ingezetenen van Suriname.
Nicolaas vormde samen met een aantal vooraanstaande planters een sterke oppositiebewegingj tegen het — huns inziens — onrechtvaardige beleid van gouverneur Mauricius. Deze beweging, de z.g. "cabale", bewerkstelligde uiteindelijk de terugroeping van de gouverneur, hoewel deze later in Nederland volledig gerehabiliteerd is. In de geschriften van Mauricius wordt Freher veelvuldig genoemd, en hij wordt niet bepaald in een gunstig daglicht gesteld.........
Ook Nicolaas vestigde zich uiteindelijk te Amsterdam. Dat was omstreeks 1756. Hij vestigde zich aanvankelijk aan de Herengracht 617, en kocht later het riante huis Herengracht 498 en liet dit verbouwen in Louis XV stijl. In 1757 kocht hij bovendien het luxueuze buiten "Oostermeer" aan de Amsteldijk. In 1763 staat Nicolaas vermeld als commissaris van de Buitenlandvaarders.

Naast de plantages hadden de gebroeders een eigen rederij voor de vervoer van plantage-producten. Zo liep in 1764 in hun opdracht het fregat "Oostermeer" van stapel, 110 lasten groot, dat vele jaren op de West voer onder kapitein Pieter Jacobz. Stap.

Op 18 november 1744 kreeg Mattheus Freher van de directeuren der Sociëteit van Suriname, in Amsterdam, toestemming "om in allodialen eijgendom te mogen opneemen en erffelijk te bezitten.... 500 akkers aan de Commewijne...aan de regterhand int opvaren, sijn begin neemende met de beneden scheijdlijn vant landt thans uijtgegeven aan de Heer Lever". Freher en Lever besloten hun gronden gezamenlijk te ontwikkelen, en kozen voor de samengevoegde plantage de naam "l' Union".
In de eerste jaren van de plantage "l' Union" was het o.a. de koopvaarder "St. Croix Galeij" die voor 'Lever & Freher" producten van en naar Suriname vervoerde. Het ging dan vooral om resp. koffie, suiker en cacao en om dakpannen.

Maar op 9 november 1749 werd de gezamenlijke plantage met de opstallen weer in gelijke parten tussen Lever en Freher verdeeld. Lever hernaamde zijn deel toepasselijk "de gescheurde Unie", en Mattheus Freher koos voor zijn deel de naam "Leijden", naar zijn geboortestad. Op 17 juli 1755 verkocht hij deze plantage voor de som van 68.000 gulden, aan de Rotterdammer Salomon de Plessis, in opdracht van diens schoonzoon, Frans Laurens Willem Grand (Not. Otto van Dam, Amsterdam, akte van genoemde datum).

Lever's eigendom, "De gescheurde unie" werd op 14 september 1756 verkocht. Cornelis Lever was op 28 april 1730 in Suriname gekomen, als eerste commies van de Slavenhandel. Ook hij ging later naar Amsterdam en woonde in 1747 op de Keizersgracht.

Meetcertificaat uit 1745 van de plantage Leyden, door landmeter P. Gardin.

1756 - Frans Laurens Willem Grand

De koffieplantage "Leijden" werd zoals gezegd in 1755 gekocht door Frans Laurens Willem Grand (? - 1762). Grand hernaamde deze in "Grand plaisir". In 1754 was Frans gehuwd met Maria Susanna Duplessis (1739-1795) die toen 15 jaar oud was. Omstreeks 1760 kreeg de plantage weer een andere naam: "Nijd en Spijt". Dat was dus al de vierde naam, en die zou nooit meer worden veranderd. In 1771 werd de plantage uitgebreid met 500 akkers achterland.

meetkaart van het achterland van Nijd en Spijt, door landmeter Treviran uit 1772.

Grand overleed in 1762. Vijf jaar later hertrouwde Susanna met Frederic Cornelis Stolkert, een stiefzoon van gouverneur Nepveu, en mede-eigenaar van de plantages Curcabo, Monsouci, Hegt en Sterk, Stolkersvlijt, en Buyslust. Waarschijnlijk een gearrangeerd huwelijk, want Stolkert was 7 jaar jonger dan Susanna. Het huwelijk werd zoals gebruikelijk gesloten buiten gemeenschap van goederen, en Susanna behield het volledig bezit van haar plantage, al heeft Stolkert waarschijnlijk haar zaken waargenomen.

Het huwelijk, hoewel het lang heeft standgehouden, ging niet goed. Mogelijk is het feit dat Susanna kinderloos bleef een van de redenen. Omstreeks 1785 liet Susanna zich van Stolkert scheiden vanwege het "... te zeer verregaande mishandelen en geduuriglijk twist en tweedragt zoeken ...". Zij heeft de rest van haar leven als zelfstandige vrouw geleefd. Tot het einde van haar leven heeft ze de plantage beheerd en ervoor gewaakt dat deze schuldenvrij bleef. Zij woonde in Paramaribo in het hoekhuis van het Oranjeplein, dat thans nog steeds bekend staat als het "huis Duplessis". Het huis was voor de helft haar eigendom.

Achterzijde van het huis Duplessis. foto uit 2001

Susanna Duplessis overleed in 1795. Zij had zelf de tekst voor haar grafsteen bepaald: "Eindelijk ben ik tot rust gekomen".

1795 - inventaris na het overlijden van Susanna Duplessis. (ARA NOT 286)

De plantage was 1000 akkers (400 ha.) groot, waarvan 195 akkers (ca. 50 ha.) met koffie, 15 met cacao, en 72 akkers kost. De helft van de koffiebomen zag er nogal schraal uit. Trenzen en overig waren goed onderhouden. De plantage had een vaartrens van 7 mtr breed en 265 mtr lang, en had dientengevolge twee sluizen. Er wordt geen melding gemaakt van verlaten gronden, maar gelet op de schraalheid van de koffiearealen lijkt het erop dat de grond al behoorlijk uitgeput raakte. De kostgrond was 7% van het totaal areaal, iets groter dan het landelijk gemiddelde van 5%.
Met 50 ha. areaal kon ongeveer 12 ton koffie zijn geproduceerd @ f 1,20 / kg = f 14.400,- / jaar. Het productieareaal was overigens vrij klein. Ter vergelijking: het kleinere Frederiksdorp had in 1775, 92 ha productieareaal met een slavenmacht van 192.
(voor standaardtabellen, zie: surinaams contrast, A. van Stipriaan, p.128, p. 331, p. 434).

De slavenmacht bestond uit 48 mannen, 44 vrouwen, 53 jongens en 39 meisjes; dit is veel en veel meer dan nodig is voor de bewerking van 50 ha. areaal, want daarvoor werd een totale slavenmacht van 90 man voldoende geacht. De leeftijdsopbouw is opmerkelijk: er waren erg veel jongens en meisjes ( 50%, terwijl dit op andere plantages 20 a 30% was).

De belangrijkste gebouwen waren :
eenlaags woonhuis, 45 x 40 voet, op stenen voet, met twee waterkelders
koffieloods, 75 x 35 voet, met schuifbakken, en een "koffiemat" van 26 gaten met dito stampers
morsloods, 85 x 24 voet, met een breekmolen van bruinhart voortgedreven door twee paarden; verder de benodigde wasbakken
timmerloods 40 x 60 voet
overige bijgebouwen: logement huisslaven, keukens, magazijnen, een ziekenhuisje met 4 kamers, koornhuis, "vogelhuys",stallen voor paarden en varkens, botenhuis
een rij negerhuisen 338 x 16 voet
regenbak voor 500 ton water
alle gebouwen waren redelijk tot goed onderhouden

1821 - Salomon Reynier Marcus Pichot du Plessis (sur. almanak 1821)

In 1821 was Nijd en Spijt een koffieplantage van 1000 akkers ; de administrateur was Q. G. Pichot.

Susanna Duplessis had geen kinderen, en de erfenis ging dus naar de nakomelingen van haar broer Reinier, en haar twee halfbroers Isaac en Jan Willem Pichot uit het eerste huwelijk van haar moeder. Hoe de verdeling van de erfenis heeft plaatsgevonden wordt beschreven in het uitgebreide boek van Hilde van der Putten.
De plantage werd nagelaten aan Salomon Reynier Pichot du Plessis (1789 - 1840), een kleinzoon van Jan Willem Pichot. Salomon heeft nooit in Suriname gewoond, zijn grootvader had zich reeds in Nederland gevestigd, en hij is daar geboren. De familie woonde te Limburg, in de omgeving van Maastricht. Salomon was pas 6 jaar oud toen hij de plantage erfde. Later heeft hij de naam Duplessis aan zijn familienaam toegevoegd, ongetwijfeld een eerbewijs aan zijn tante.

Salomon heeft zijn gehele leven in Limburg gewoond.. Hij huwde met Sara Alexandrina Collard. Zij kochten het nog steeds bestaande landgoed Blankenberg. Salomon heeft Suriname nooit bezocht. De familie bleef echter zakelijke — en familierelaties onderhouden met Suriname.

De plantage werd aan Salomon nagelaten onder de strikte voorwaarde dat deze niet mocht worden verkocht. Salomon zond later een zijner zoons naar Suriname om zich in het plantagebedrijf te bekwamen, of misschien wel om zijn wilde haren kwijt te raken. Het was geen gelukkige beslissing. Hij is er jong gestorven en ligt begraven in de nieuwe oranjetuyn:
"...in het huis L E N 81, is overleden Theodore Auguste Pichot du Plessis, geboren te Maastrecht...zoon van Salomon Reynier Marcus Pichot du Plessis te Maastricht woonachtig en van Sara Alexandrina Collard ..."

1842 - S. R. M. Pichot du Plessis (almanak 1842)

De koffieplantage had een slavenmacht van 136 mensen.

Gezicht op de plantage Nijd en Spijt, W. Winkels.
Tussen 1841 en 1846 aquarelleerde Willem Winkels 7 plantages. Winkels was geen nauwkeurige waarnemer, maar zijn afbeelding van Nijd en Spijt is de enige uit de oude tijd die bewaard is gebleven.

1859 - erven S. R. M. Pichot du Plessis (almanak 1859)

De koffieplantage had een slavenmacht van 110 mensen.

1863 - emancipatie

De eigenaren waren de erven S.R.M. Pichot du Plessis, allen woonachtig in Nederland. De "tegemoetkoming" bedroeg f 30.000,- en f 300,- voor 99 slaven.

De erven waren :
Sara Ephraime Alexandrina Pichot du Plessis, Maastricht, rentenierster
Louise Hubertine Pichot du Plessis, Maastricht, rentenierster
Joanna Louisa Sigismunda Pichot du Plessis, Moulinger in Belgie
Emelia Frederika Pichot du Plessis, Den Haag
Marius Hendrik Frederik Pichot du Plessis, Middelstum te Groningen
Lodewijk Joannes Hubertus Pichot du Plessis, Maastricht, rentenier
Ieder voor 1/6 deel.

Na de emancipatie heeft de plantage slechts op bescheiden schaal contractanten aangeworven. In totaal arriveerden 26 hindustaanse arbeiders, en 10 Javanen. Toch waren er omstreeks 90 mensen aan het werk. Blijkbaar maakte men ook gebruik van vrije creoolse arbeiders, en wierf men aziaten aan die hun vorig contract hadden voltooid.
De gezagvoerders in die tijd waren:

1884 - 1890 J. H. Bilgen

1898 - J. C. R. Gonggrijp

Nijd en Spijt omstreeks 1900. Foto Surinaams Museum SSM 23-27-2

1868 - districtcommissariaat

Vermoedelijk omstreeks 1865 werd een deel van Nijd en Spijt door de overheid gehuurd en ingericht als commissariaat. In 1868 stonden er de volgende gebouwen :
woonhuis van de districtscommissaris, keuken annex magazijn, gevangenisloods annex berging, keuken bij de gevangenis, stal, gemakshuizen, en een stenen regenbak.

1894 - erven mr. S.R.M. Pichot du Plessis (almanak 1895)

De plantage was 429 ha. groot, waarvan 111,5 ha. in cultuur. Hiervan 93,5 ha. vruchtdragend. De plantage werd geadministreerd door J.R.C. Gonggrijp. De gezagvoerder was W. van Genderen. De oogst bedroeg 46444,5 kg cacao, en 399 bossen bananen. Het personeelsbestand bedroeg 94 arbeiders, waaronder 23 immigranten.

1975 - teruggekeerd in het bezit van de staat Suriname.

Nadat op een publieke oproeping aan de eigenaren niet was gereageerd, is de grond in de boezem der staat Suriname teruggekeerd. (acte hypotheekkantoor Paramaribo C 681 / 1539, geg: Hilde van der Putten)

De plantage is reeds lang buiten productie. Er staan wat kleine huisjes langs de rivier, en een paar slordige weilanden erachter.

top ^

Bronnen

top ^

boeken en artikelen

1.1 - Alex van Stipriaan
Surinaams contrast — KITLV, 1993

1.2 Hilde van der Putten
Susanna Du Plessis, leven en verhaal - 2000 (manuscript)

1.3- Coen Temminck-Groll, Arthur Tjin-A-Djie e.a.
de architectuur van Suriname 1667-1937 - uitg. de Walburg pers, 1973

top ^

databases op het internet

2.1 - Philip Dikland — oud archief der burgerlijke stand in Suriname

2.2 - Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. - database emancipatieregisters 1863

2.3 - Maurits Hassenkhan e.a. - databases Chinese, Hindustaanse en Javaanse immigratie

2.4- Bert van Viegen — informatie gebroeders Freher (emails)
viegen@worldonline.nl

top ^

inventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag

1755 - inventarisatie plantage Leijden, ARA NOT inv. no. 198 p. 401

gegevens: 500 akkers, koffie, 56 slaven
eigenaar: Frans Laurens Willem Grand koopt van Matheus Freher te Amsterdam.

1761 - inventarisatie plantage Nijd en Spijt, ARA NOT inv. no. 209 p. 215

gegevens: 500 akkers, koffie, 115 slaven
eigenaar: F: L: W: Grand

1768 - inventarisatie plantage Nijd en Spijt, ARA NOT inv. no. 695 p. 328

gegevens: 500 akkers, koffie, cacao, katoen, 108 slaven, NF 226.940,-
eigenaar: erven Frans Laurens Willem Grand

top ^

archief bouwdepartement (Landsarchief)

Inventarisatie bebouwing districtcommissariaat 1868
Nijd en Spijt, 18 November 1868
District Beneden Commewijne
N 494
Aan den Heer Waarnemend Chef van het Bouw-departement.

In antwoord op uwe missive van den 1 November j.l. N.189, heb ik de eer UwEGestrenge te berigten, dat op het bij het Gouvernement in huur zijnde etablissement Nijd en Spijt aanwezig zijn de volgende gebouwen:
1e: Het woonhuis van den district commissaris is opgerigt op eenen steenen voet ter hoogte van 3 voeten boven den beganen grond, ter lengte van 46 voeten en ter breedte van 43 voeten, het heeft behalve de beneden localiteit, eene verdieping en eenen zolder. De benedenruimte is ter wederzijde van eenen middengang, verdeeld in drie vertrekken.
De verdieping bestaat mede uit eenen middengang, waarvan zich aan de eene twee, en aan de andere zijde, drie kamers bevinden.
Op de zolder is eene ruimte afgeschoten, waardoor twee vertrekjes verkregen worden.
2e: Een gebouw dienende tot keuken en magazijn, ter lengte van 51 en breedte van 19 voeten en staande op eenen steenen voet van 1 voet hoogte boven den beganen grond.
De verdeeling beneden bestaat uit drie vertrekken, waarvan het gedeelte voor de keuken bestemd bestaat uit steen ter hoogte van 10, ter breedte, de breedte van het gebouw (19 voeten) en ter lengte van 10 voeten aan de voorzijde en van 5 voeten aan de achterzijde.
Op de zolder is eene ruimte voor eene kamer afgeschoten.
Voor het gebouw bevindt zich eene gaanderij met steenen vloer, ter breedte van 9 voeten.
3e: Eene loods ter lengte van 87 en breedte van 24 1/2 voet, staande op eenen steenen voet van 2 voeten hoogte. De benedenruimte is verdeeld in 9 vertrekken, bestemd tot verblijfplaatsen voor gestraften en woning voor roeyers zoo meede tot berging van gereedschappen, verdere behoeften, enz.
De zolder is verdeeld in 7 vertrekken bestemd tot woning der Marechaussées en van den opzigter over de gestraften.
4e: De keuken bij dit gebouw behoorende is lang 20 en breed 7 voeten, staande op steenen neuten, terwijl de plaats waar gestookt wordt, ter breedte van 3 voeten van steen is.
5e: Eene stal voor de Marechaussées paarden ter lengte van 50 en breedte van 15 1/2 voeten, staande op losse steenen neuten. Deze stal is van palissaden opgetrokken.
6e: twee gemakhuizen, het eene ter lengte van 9 1/2 en breedte van 9 voeten, staande op eenen steenen voet ter hoogte van 2 voeten ; het andere ter lengte van 10 en breedte van 5 1/2 voeten.
7e: eene gemetselde steenen regenbak ter lengte van 27, breedte van 7 1/2 en diepte van 7 voeten.
Al de gebouwen zijn gedekt met cingels.
De District Commissaris,
Ritter

top ^

het archief van de Dienst der Domeinen te Paramaribo

meetcertificaat 1745 1e concessie
Ik ondergeschreeve geswoore landmeeter verklaare gemeten te hebben een stuk land no. 15B groot vijfhondert akkers gelegen in rio Commewine in de regterhand in 't opvaaren tusschen landen no. 15A van de Heer Cornelis Lever en no. 16 van de Edele Agtbaare Heer Jacob Hengevelt.
Uijtkragt van een warrand door Haar Edele Groot Agtbaaren de Heeren Directeuren der Edele Geoctroijeerde Societeijt van Suriname in dato 18 november 1744 aan de Heeren Matthijs Freher verleent so als de figuur ABCDA aanwijst.
Actum Paramaribo den 1 october 1745
Pierre Gardin geswooren landmeeter

meetcertificaat 1770 2e concessie
Commewijne (beneden)
Nijd en Spijt
Ik ondergeschreeve geswoore landmeeter verklaart gemeeten te hebben een stuk land groot 500 akkers agter de plantage Nijd en Spijt / : in rio Commewijne regterhand in 't opvaaren tussen de plantage Alkmaar en Montresor leggende :/ aanslootende uijt kragt van een warrand van den 15 september 1770 door sijn WelEdele Gestrenge den Heere Gouverneur Jan Nepveu etc. etc. etc. aan den Heer F: C: Stolkert verleent met een face van 30 en een diepte van 166 2/3 kettinge so als uijt bovenstaande figuur ABCD met meereren te sien is.
Paramaribo den 9 februarij 1771
A: H: Freviran gesch: landmeter
Gezien de neevenstaande kaart der uijtmeetinge door den gesworen landmeter A: H: Freviran gedaan approbeeren deselve in alle sijne leeden en deelen
Actum Paramaribo den 9 november 1711
Jan Nepveu
Ter ordonnantie van den Heer Gouverneur
Joh: van Gennep geswooren clercq

top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: