Goudmijn aan de Commewijnerivier

volksnaam: "skassie" = schas
linkeroever in het afvaren
volgorde: Rozenburg, de Goudmijn, nieuw clarenbeek, Penoribo

Het emplacement van de plantage lag aan de Commewijne ; vandaag de dag is de plantage geheel verlaten.

Chronologie

1685 -

De plantages Goudmijn — Ostage — Schatzenburg zijn lange tijd in het bezit geweest van de familie Schas. Slechts in de prille begintijd van de kolonie waren ze in handen van andere eigenaars.
In 1686 vervaardigden de Labadisten een kaart van Suriname. Volgens deze kaart was de plaats waar nu de Goudmijn is, nog niet geoccupeerd. Buurplantage Ostage (mogelijk had deze een andere naam) was het bezit van Balten Perduijn. Over hem is wel het een en ander bekend. Hij was in 1680 burgemeester van Paramaribo, raadslid, en lid van de krijgsraad. Hij was eigenaar geweest van de slaaf Gamindt, die hij slecht had behandeld, en die de eerste marron is waarvan de naam bekend is gebleven.

Francois Schas was de eerste telg van de familie Schas in Suriname, en de stamvader van het uitgestrekte plantagebezit. Hoe hij dit bezit heeft verworven is niet bekend, maar in 1737 staat hij op de kaart van Lavaux vermeld als de eigenaar van Goudmijn, Ostage, en Schatsenburg.
In 1722 trad hij in het huwelijk met Geertruij van Vhelen:

"... 1722 januarij 20 in den huwelijken staat bevestigt Francois Schas met Geertruy van Vhelen ....."

Geertruy van Vhelen was de dochter van Cornelis van Vhelen. Het was Geertruy's derde huwelijk. Haar tweede huwelijk was in 1701, dus 21 jaar daarvoor, met Elie Chaine. Haar eerste echtgenoot was Jean Venemant (Jan Venneman?). Gezien de leeftijd van de bruid werd er geen groot feest gevierd in de kerk, maar werd er rustig op plantage getrouwd. Francois betaalde de verplichte boete:

"... 1722-01-20 Per Francois schats voor het trouwen buiten de kerk f 50,- ...."

Het lijkt erop, dat Francois de oudere Geertruij heeft getrouwd vanwege haar vermogen. Waarschijnlijk was zij, en niet hij, de feitelijke eigenaresse van het plantagebezit. Vanwege gebrek aan gegevens is dit niet meer na te gaan.
Francois ging op het nieuwverworven bezit wonen. In 1723 stond hij genoteerd in het lidmatenregister van beneden-Commewijne als diaken. Later werd hij kerkmeester, en hield de kerkboeken van de divisie bij.

Geertruij overleed in 1730, en Frans betaalde de kerkgerechtigheid:

"... 1730 den 30 aug: - voor dto: van mevr: Schas f 20,- ..."

Het huwelijk was kinderloos gebleven, wat gezien het leeftijdverschil niet verwonderlijk is. Frans bleef achter als gefortuneerd plantagebezitter. Hij repatrieerde naar Nederland. In april 1733 vertrok Hij met zijn knecht Lodewijk Godhard Koel "en 2 negers" met het schip Reygerbosch onder schipper Hendrik Kock naar Amsterdam.
Zijn bezit in Suriname stelde hem in staat om in Nederland als gefortuneerd man te leven. De grootte van dit bezit is bekend via inventarisaties in 1757, in verband met wisseling van administrateur. Goudmijn had toen 235 slaven en een watermolen ; Ostage 98 slaven en een beestenmolen ; Schatzenburg, aan de overzijde van de rivier, was een kleine koffiegrond van 236 akkers.

In 1743 hertrouwde Francois in Nederland met Sara Pichot, dochter van de Raadsheer Daniel Pichot en Sara Swart. Dit huwelijk staat uiteraard niet in de Surinaamse archieven vermeld, maar is bekend via een onderzoek van Fred Oudschans-Dentz naar de familie Schas. Hij bericht hierover in de West Indische Gids in het artikel: "herkomst en betekenis der Surinaamse plantagenamen". Het huwelijk heeft 11 jaar geduurd. In 1754 overleed Sara. Haar dood werd in de kerk van Paramaribo bekend gemaakt:

".. 1754-october 19 Debet Samuel Paulus Pichot — A 't bekendmaaken weegens overleijden van Mariane Sara Pichot huijsvrouw van de heer Frans Schas f 9,- ...."

Francois Schas is niet meer hertrouwd. Hij overleed in 1761 te 's Gravenhage en werd in de Kloosterkerk naast zijn echtgenote begraven. Zijn overlijden werd afgeroepen in de kerk van Paramaribo.

".... 1761 - mei 8 Debet Js: Hend: Saffin — A doodgravers Emolum voor 't bekentm: van de dood van Frans Schas f 9,- ...."

Na Francois' dood worden afwisselend F: W: Schas en mr. J: W: Schas genoemd als eigenaren van het plantagebezit. Zijn zij zonen of neven van Francois ? In ieder geval hebben zij beiden in Suriname gewoond. Zij komen voor op de passagierslijsten van 1775 en 1777

Omdat de plantage altijd bij 1 eigenaar is gebleven, is er in de archieven relatief weinig informatie te vinden. Er zijn maar weinig inventarisaties, kaarten, en warranden. In 1732 vervaardigde de landmeter Reynet een meetkaart. Goudmijn was toen 1540 akkers groot.

meetkaart plantage Goudmijn door landmeter Reynet, 1732.

1790 - F: W: Schas, suiker (almanak 1790)

Ook buurplantage Ostage was nog in het bezit der familie ; Beide plantage werden geadministreerd door B: van Velzen ; de directeur was P: Straub.

1821 - erven J: W: Schas, 1450 akkers (almanak 1821)

De buurplantages Welgedacht (voorheen Schatzenburg) en Ostage behoorden eveneens nog tot het familiebezit.
Alle drie plantages werden geadministreerd door het kantoor van C. L. Weissenbruch, E. G. Veldwijk. De directeuren waren J. L. N. Yzendoorn, en J. Stockelaar van Eyck

De familie Schas heeft lang relaties met Suriname onderhouden. In 1807 was Daniel Francois Schas (Schatz) geboren te Den Haag, Raadsheer van het hof van politie en criminele justitie

1843 - A: T: Kruijthoff en J: C: Ellis (almanak 1843)

169 slaven, 1800 akkers, suiker ; directeur J: C: Ellis, administratie door de eigenaren.

Omstreeks 1850 was John Cornwell Ellis gezagvoerder op de plantage. Hij had een gezin met de slavin Anna, en manumitteerde haar samen met haar familie en kinderen in het jaar 1853. Zij kregen de naam Baarh toebedeeld, maar Anna en haar kinderen wijzigden hun naam tot Ellis. (Okke ten Hove, database manumissies, ARA)

In 1866 overleed John Ellis:

"... in het huis aan de Weidestraat L D N 59 + 60 overleden is : John Cornwell Ellis, ongehuwd ; van beroep planter...geboren Prinsdom Wales ; zoon van (den opgever onbekend)"
(acte CBB 1866-23)

Anna leidde vanaf die tijd de plantage, in een turbulente tijd vol grote veranderingen. In 1863 was de slavernij afgeschaft. De ex-slaven waren weliswaar verplicht nog 10 jaar op de plantage te werken, maar er zal al snel verloop zijn geweest. Toch zagen Anna en de andere eigenaren de toekomst met vertrouwen tegemoet. In 1869 werd zelfs een nieuwe stoommachine geInstalleerd, dus de plantage had dringend behoefte aan nieuwe arbeidskrachten.
Vanaf 1870 werden contractanten aangeworven. De voorlopers arriveerden in 1870, vanuit Demerara en St Lucia. Anna Ellis, ex-slavin en directeur, verwelkomde hen en zette hen aan het werk.

In de jaren 1873 t/m 1890 arriveerden grote groepen vanuit India op de plantage, in totaal 273 mensen. Hun stamkaarten vermelden tevens gegevens over de gezagvoerders der plantage :

1873 - Anna Ellis

1882 - I: M; en E: Samson / C: L: L: Reeberg

1889 - Mr: J: Kalff

1889 - C: C: L: Reeberg

1890 - C: C: L: Reeberg

Vanaf 1890 arriveerden er contractarbeiders uit Java in Suriname, maar plantage Goudmijn heeft hen nooit aangeworven. In de suikerindustrie was het een tijd van schaalvergroting en modernisering, waarmee grote investeringen waren gemoeid. Waarschijnlijk heeft het bedrijf de concurrentiestrijd niet kunnen volhouden, en is omstreeks 1900 opgedoekt.

2002 - ledig en verlaten.

De plantage is geheel verlaten en overgroeid met bos. Het emplacement van de plantage lag aan de Commewijne ; hier is thans nog een stoomgedreven suikerpersinstallatie, vrijwel geheel compleet, bestaande uit:
1-cilinder stoommachine: "Mirrlees Tait & Watson, Glasgow 1869"
suikerpers: "G. Fletcher, London & Derby"

stoomsuikerinstallatie op plantage Goudmijn, 2002

top ^

Bronnen

top ^

boeken en artikelen

1.1 - Fred Oudschans-Dentz
De herkomst en de betekenis van de surinaamse plantagenamen — WIG. XXVI, p.153
Fred Oudschans-Dentz heeft in dit artikel een uitgebreide beschrijving gemaakt van de Surinaamse familie Schas :

".... De familie Schas, een oud-Vlaamsche familie, die zich in Suriname, Nederlands-Indie, en Amerika vestigde, gaf haar naam aan een aantal plantages in Suriname, welke in het Neger-Engels Skassi heten, te weten: Barbados, Estherslust, Goudmijn, en Ostage. Bovendien bezaten zij Blackkreek, Welbedacht, en Schatzenburg.
De eerste dezer kolonisten was Francois Schas, zoon van Hendrik Schas in diens tweede huwelijk met Anna Greenwood, dochter van een Engelse koopman te Rotterdam. Hij werd op 9 Maart 1698 te Wassenaar geboren en kwam als planter naar Suriname, waar hij bovendien Raadsheer in de hoven van Civiele en Criminele Justitie werd. Tevens was hij kerkmeester in de divisie Commewijne. Raad van Politie werd hij op 23 Januari 1725. Hij overleed te 's Gravenhage en werd aldaar in de Kloosterkerk begraven den 26sten Februari 1761.
Hij was in de beneden-Commewijne op 20 Januari 1722 gehuwd met Geertruida van Vheelen, die kinderloos overleed op 8 Augustus 1731. Francois hertrouwde op 3 februari 1743 met Sara Pichot, dochter van Daniel, raadsheer en raad in de drie hoven, en Sara de Swart. Sara Pichot was op 7 october 1717 te Paramaribo gedoopt en overleed te 's Gravenhage, waar zij naast haar man werd begraven.
Maria Schas, zuster van Francois, huwde met Jaques Saffin ; hun broer Roeland overleed ongehuwd te Paramaribo.
De kleinzoon van Francois was Daniel Francois, die weer naar Suriname vertrok, waar hij huwde met Juliana Andreza Roepel. Hij werd eveneens raad en rechter in de drie hoven, heemraad in verschillende districten, en gecommitteerde over de zaken van de gezamenlijke bevreedigde boschnegers. In het midden van de 19e eeuw overleed hij te Utrecht. Hij was de laatste van zijn geslacht, die in Suriname woonde....."

top ^

databases op het internet

2.1 - Philip Dikland — oud archief der burgerlijke stand in Suriname

2.2 - Heinrich Helstone, Okko ten Hove e.a. - database emancipatieregisters 1863

2.3 - Maurits Hassenkhan e.a. - databases Chinese, Hindustaanse en Javaanse immigratie

top ^

inventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag

17?? - ARA NOT inv. no. 201 f. 235
Locatie: Commewijne aan de linkerhand tussen de plantages Meynhoop en Roosenburgh
Datum: niet genoemd, waarschijnlijk 1757 (verg. Inventaris pl. Ostage)
Gegevens: 1. Goudmijn: 1540 akkers, 235 slaven, watermolen, suiker, koffie, tayer, bananen, duiven, moestuin
  1. nog een stuk land aan de overzijde der rivier, genaamd Schatsenburg, 236 akkers, koffie
    verzoeker: Jacob Hendr: Saffin, raad in Hof van Civiele Justitie als gemachtigde van mr: Francois Schas
    eigenaar: Francois Schas, oud raad van Politie en Civiele en Criminele Justitie
    administr. Jacob Hendr: Saffin (scheidende administrateur) ; diens broer Frans Saffin (nieuwe administrateur) -
    gebeurtenis: overdracht der administratie aan Frans Saffin, gemachtigde van Frans Schas, en opvolger van Jacob Hendr: Saffin, zijn broer
top ^

archief Dienst der Domeinen te Paramaribo

1732 - meetkaart

Door order van sijn Excellentie Mijn Heer Carel Emelius Henrij de Cheussis Gouverneur Generaal over de proventie van Suriname, Rivieren en Districten van dien, mitsgaders Colonel van de Militie deeser Provintie &&& en ten versoeke van den Ed: Agtbare Heer Frans Schas, heb ik ondergeschreven gesworen landmeeter afgesteeken en gemeeten de schijdlinien der plantage de Goudmijn hebbende begonnen aan de Post E in de rivier Cottica tot in D suijd aan 37 kettingen van daar tot in C 50 kettingen 58 grad ten oosten het suijd wederom van C suijd aan en van de Post A, in de rivier Commewijne Oost aan tot in B, hebbende CB bevonden te sijn 80 kettingen en AB 112 kettingen, 33 voeten, en begrijpen de linien uijtmakende de figuur NABCDELMN een somma van vijftien hondert en veertig akkers.
Verder heb ik ten versoeke van gem: Heer Frans Schas afgesteeken en gemeten een stukje land leggende aan de overzijde van de rivier Commewijne IKHI groot twee hondert ses en dertig akkers aght kettingen, waarvan het stukje IOHI een gedeelte van het stukje land FGHIF, dat tot de gronden van de Goudmijn behoordt is, en in de plaats van het resterende stuk FGOIF, heb ik het stuk OKHO van de gronden van de plantage Ostage afgemeten, gevende het stuk FGOIF, in de plaats aan de plantage Ostage wederom.
Aldus gedaan Commewijne den 13 november 1732
/ getekend / J: Reijnet
Deze kaart gecopieerd naar de origineele berustende ter Gouverneur Secr Portefeuille der rivier Commewijne no. 1 fo. 14 a.c hier aan Paramaribo den ............
De geadmiteerde landmeter
Mabe

Gesien de nevenstaande kaarte der uijtmeetinge door den landmeeter Jacob Reijnet gedaan begrijpende een nombre van vijftien hondert ackers, alsmede de waranden daartoe specterende monteerende te samen twee duijsent een hondert ackers dog alzoo diverse perceelen van gem: grond is verkogt en bij uijtemeetinge bevonden is dat dese kaart gereekent met 't verkogte land ruijm twee hondert ackers meerder dan de waranden is uijtmakende soo sal deze dienen voor warand van gem: meerder bevonden land en approbeere over zulx deese metinge in alle zijne leden en deelen.
Actum Paramaribo 22 april 1733
/ getekend / De Cheussis
Ter ordonnantie van dezelve
/ getekend / E: Comans Scherpingh

1804 - meetcetificaat grens Fairfield, Goudmijn en Ostage

...ondergeschreven geswooren landmeeter verklaart hiermeede ter requisitie van den WelEdele Gestrenge Heer F: Schas als eijgenaar van de plantage de Goudmijn en Ostage en de WelEdele Heere Thijm en ...als administrateuren der plantagie Fairfield te hebben geexamineerd de regeling welke te de plantage Ostage & Fairfield ......... plaats gehad en ingevolge kaart de dato 9 december 1780 door der geswooren landmeeter F: Lieftinck is afgemeeten en verdeelt
in teegenswoordigheid der weederzijdse directeuren ......op de plantage Fairfield en Joachim op de plantage de Goudmijn en Ostage te hebben geexamineerd de regeling, welke tusschen de plantagien Ostage en Fairfield heeft ingevolge kaart de dato 9 december 1780 door den geswooren landmeeter F: Lieftinck is afgemeten en verdeelt, heeft plaats gehad.
...................zo dat de oude scheijdlinie op dese kaart gepointeert en gemerkt met de letters BDFG is verandert
En volgens aanwijsing der nog staande posten als ABCD en E is afgemeeten regten conform de gemelde kaart bevonden welke posten daar nog ondergeschreven zijn vernieuwd gevende.............................
Actum Paramaribo den 22 .....1804
J: G: R: Bohm

1826 - hernieuwde warrand

Alzoo wij bij onze resolutie van heden no. 85 om reden en in voege daarbij vermeld hebben besloten te verlenen eene warrand voor de plantage de Goudmijn gelegen binnen deze kolonie aan de rivier boven Commewijne zodanig als dezelve plantage meer ten brede is beschreven in het certifikaat door den landmeeter Mabé relatief dezelve plantage opgemaakt.
Zo is het dat wij dienvolgens verleenen dezen grondbrief om aan den eigenaar, zijne erven of rechtverkrijgenden, te strekken tot een bewijs van allodialen en erfelijken eigendom van dezelve plantage groot 1776 akkers, zijnde deze plantage meer ten brede omschreven en aangeduid in de hieraan geannexeerde kaart en in het mede geannexeerde certifikaat door den landmeeter Mabé vervaardigd en bij voormelde onze resolutie geapprobeerd.
Verleenende wij dezen grondbrief echter onder de volgende conditien.
Dat de eigenaar dezer plantage niets zal mogen doen tot nadeel van de vrije indianen ofte eenige vorige concessien ook zal hij zo er natuurlijke kreeken door dit land (lopen) dezelve niet mogen doen toevallen of stoppen, neen maar dezelve voor een ieder open vrij en vaarbaar moeten houden.
Blijvende voorts ingeval van verkoop het regt van naasting te allen tijden aan den landsheer gereserveerd.
Aldus gedaan en met onze handtekeningen Gouvernements zegel bekrachtigd te Paramaribo in de kolonie Suriname den 27 junij des jaars 1826 van zijne Majesteits regering het dertiende
A: de Veer
Ter ordonnantie van zijne Excellentie
De Secretaris van het Gouvernement
J: G: Ringeling

Ingevolge de Gouvernements resolutie van 4 september 1814 L: B: no. 14 wordt alhier aangeteekend dat van het land het welk volgens de bij Gouvernements resolutie van 27 junij 1826 no. 85 behandelde kaart en certificaat van den landmeeter J: Reijnet van 13 november 1732 betreffende plantage Goudmijn in der tijd aan dat effect is geannexeerd is afgerooid een gedeelte van 10 hectares 72 ares en 41 m2
Voor de Waarn: Gouvernements Secretaris
De Hoofdcommis
L: C: Batenburg

1826 - meetcertifikaat

Certificaat, Relatief de plantage de Goudmijn gelegen aan de rivier de boven Commewijne ter linkerhand in het opvaren ; dezelve wordt belend ten noorden door de plantage Klarenbeek, ten oosten door de plantage Constantie, ten zuiden door de plantage Rozenburg, en ten westen door de rivier en de Craskreek.
Deze plantage is thans onder executie bij den eersten exploiteur als aankomende voor de eene helft D: F: Schas en de wederhelft S: M: Schas echtgenoot van G: L: de Bonne Chose en hare kinderen.
Voor deze plantage is geen ...... sedert den jare 1732 in bezit geweest blijkens na te noeme geapprobeerde kaart ; zodat voor dezelve eene giftbrief of warand behoort te worden verleend welke krachtens art 1 van Z: M: besluit van den 13 mei 182 no. 29 moet worden beschouwd als te zijn goedgekeurd en dus te strekken als een voldoende bewijs van allodialen eigendom.
De kaart dezer plantage is aanwezig ter gouvernements secretarij portefeuille der rivier Commewijne no. 1 fo 14 dezelve is geteekend door den gezwooren landmeeter J: Reijnet den 13 november 1732 en is geapprobeerd door den gouverneur de Cheusses den 22 april 1733.
De kaart heb ik heden in duplo gecopieerd.
Deze plantage bevat 1776 akkers en is omsloten door lijnen van de volgende lengte 111 ketting 37 ketting 50 ketting 80 ketting 112 ketting 33 voeten en 98 ketting.
Aldus gedaan en in triplo afgegeven alhier aan Paramaribo den 27 junij 1826
De geadmitteerde landmeeter
Mabe

Geapprobeerd bij resolutie van zijne Excellentie den Heer Generaal Majoor Gouverneur der Kolonie Suriname van dingsdag den 27 junij 1826 no. 26 no. 85
De Secretaris van het Gouvernement

Ten verzoeke van de tegenwoordige eigenaren van de plantage Goudmijn en Ostage, heb ik ondergeteekende, van laatstgenoemde plaats afgerooid het perceel groot (45) vijf en veertig akkers, voorgesteld door fig. PQRS op deze kaart, zijnde nu verkocht aan Jonathan Alliance
Paramaribo den 18 juli 1873
De beeidigde landmeeter en rooijmeester v. erven
/ was getekend / Julius E: Muller
Voor eensluidend afschrift
De gesw: landmeeter
W: L: Loth

Blijken kaart en certifikaat vervaardigd door den landmeeter A: Copijn dd 4 december 1880 is van plantage Goudmijn afgerooid en toegevoegd aan plantage Nw: Clarenbeek het perceel op de hierbij horende kaart aangewezen door de letters UVEWXY metende ongeveer 90 H.A., terwijl volgens de algemeene kaart van J: H: Moseberg (1801) het gedeelte LMTY reeds vroeger tot Clarenbeek was getrokken.
Plantage Goudmijn behoudt dus nu den vorm: van fig: ABCDVUT aan den regteroever der rivier
Paramaribo 3 februarij 1881
De Gouvernements landmeeter
W: L: Loth

top ^

gidsen:

Alwin Francis
Leobert Kabalefoedji, Oost-west km 44,5 ("oom Leo")

top ^

stoommachine:

SUGAR MACHINERY RECORDS AT THE UNIVERSITY OF GLASGOW
The Adam Smith Business Records Store of the University of Glasgow holds the records of A. & W. Smith, who are heirs to most of the sugar manufacturing businesses that flourished in Glasgow from the early nineteenth century. The manufacture of sugar machinery began on a large scale in Glasgow in 1840 when the firm of P. & W. McOnie was established. By 1848 the concern had manufactured fifty engines and fifty mills. In that year the name was changed to McOnie & Mirrlees and in the succeeding years the business spawned a number of other concerns, notably W. A. McOnie, Mirrlees & Tait; Watson Laidlaw & Co; McOnie Harvey & Co.; and Pott Cassells & Williamson. The output from these firms was prodigious. Between 1851 and 1876 W. A. McOnie, alone, constructed 820 steam engines, 1650 sugar mills, 1200 steam boilers, 117 water wheels and 169 evaporating pans. As the industry in Glasgow expanded in the late nineteenth century, other firms began to build sugar machinery, notably Blair Campbell & McLean, Duncan Stewart & Co. and A. F. Craig & Co. After the Second World War most of the surviving firms in Glasgow were taken over by A. & W. Smith (founded in 1837 and now part of the Tate & Lyle group), with the exception of A. F. Craig & Co. (which has recently ceased trading) and Duncan Stewart & Co. (whose sugar business is now owned by Fletcher & Stewart Ltd. of Derby). A brief account of the history of the industry in Glasgow can be found in Michael S. Moss and John R. Hume, Workshop of the British Empire (London: Heinemann Educational Books, 1977), pp. 30-36.

The following records relating to sugar machinery are held by the Archives:
.......
UGD 62 Mirrlees Watson & Co.

letter book, 1916
order book, 1916
quotation books, 1919-21
invoice books, 1900-1902
quantities book, 1933-34
miscellaneous volumes, 1862-1949
incoming letter files, 1932-36

Op verzoek heeft de archiefbewaarder het MIRLEES archief nagezocht betreffende de orders van 1869. Het orderbook bleek niet meer te bestaan, maar wel het tekeningenboek. In 1869 werden er tekeningen vervaardigd voor de klant / ingenieur G: M: Spong & son, voor de plantages Dijkveld, Johan&Margaretha, Zoelen, Houtthuin, Accaribo, en nog enkele tekeningen waarbij de plantagenaam niet staat vermeld.

de ingenieurs George May Spong en George William Spong (1832-1879, NOT)

De ingenieur George May Spong was gehuwd met Elisabeth Hedges. Hun zoon George William koos hetzelfde beroep, en werkte samen met zijn vader. Blijkens de gegevens van MIRRLEES te Glasgow leverden en installeerden zij stoommachines op de plantages.
Over de vader George May is verder nog niet veel bekend ; de zoon George Willem overleed in 1879:
vlgns acte CBB 1879 f:329 : "..in het huis aan de Zwartenhovenbrugstraat L F N 217 overleden is George William Spong, echtgenoot van Elisabeth Brigetta Antonia Abrahamsz...van beroep ingenieur...geboren in Suriname, zoon van George May Spong en van Elisabeth Hedges"

top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: