Suikerplantage Fauquemberg aan de Commewijnerivier

volksnaam "Gieskie" = Gieske
linkeroever in het afvaren
volgorde: Wayampibo, Nieuw-Appecappe, Fauquemberg, Vlammenburg, l'Esperance

De plantage Fauquemberg is geheel overwoekerd met bos. Ze is al zo lang verlaten, dat de mensen langs de rivier de naam ervan niet meer kennen, en dat maakt de localisering ervan des te moeilijker. In 2001 vond de heer Wolff het graf van eigenaresse Clasina van Egmond, en hij was toen ongetwijfeld op Fauquemberg, hoewel hij zelf dacht dat hij zich op een verder stroomopwaarts gelegen grond bevond. In 2002 trachtten Philip Dikland en Anthoni Hagemeyer opnieuw het graf te vinden, maar dat lukte niet. Wel vonden zij een kappa, een grote molensteen, en hopen met losse bakstenen. De plaats wordt thans "stonkampoe" genoemd, waarschijnlijk een referentie aan de steenfabriek die eens heeft bestaan op het nabije Appecappe.

Chronologie

circa 1685 - stichting

In 1684 werd de plantage ingemeten door de landmeter Cornelis Boogaert. Zijn kaart is niet bewaard gebleven, maar er wordt naar gerefereerd in een volgende meetkaart, die van Jan Fruytenier uit 1734.
Tot 1760 droeg de plantage de naam "Tenburg"

Meetkaart van plantage Tenburg door landmeter Jan Fruytenier uit 1734.

725 - Clasina van Egmond en Balthasar van der Meulen sr.

De geschiedenis van de plantage Fauquemberg valt lange tijd samen met de levensgeschiedenis van Clasina van Egmond, die in 1753 op de plantage werd begraven. Zij wordt regelmatig genoemd in de archieven, en op de achtergrond ontstaat vanzelf een beeld van haar plantage.
Clasina wordt voor het eerst in de archieven genoemd in het jaar 1710. Zij trad toen op als vervangend meter bij de doop van een kind. 3 jaar later trad zij in het huwelijk:

".... 1713 januari 20 ondertrouwt Erasmus Bedloo J:M: geb: in de Rivier van Zuriname wonagtig in Pirica, met Clasina van Egmond J:D: geb: van Haerlem hier wonagtig, den 16 februari bevestigt — David Estor ....."

In 1718 werd Clasina lidmaat van de gereformeerde kerk:

".... 1718 april 13 Clasina van Egmond met Examen......"
(lidmatenlijst Paramaribo)

Het huwelijk van Clasina en Erasmus is kinderloos gebleven. Het doopregister over die tijd is bewaard gebleven, maar er is geen vermelding van kinderen. In 1723 overleed Erasmus:

".... 1723-12-03 Erams: Bedloo begraven 3 december f 50,- ....."

Anderhalf jaar later hertrouwde Clasina met Balthasar van der Meulen, een planter uit Perica:

".... 1725 maart 7 ondertrouwt Balthazar van der Meulen J: M: geb: in Pirica, met Clasina van Egmond geb: van Haarlem wed: van Erasmus Bedloo. den 27 d: op de plant: Meulewijk bevestigt — Abm: Aegid: Engel ....."

Balthasar was eigenaar van de grote suikerplantage Meulwijk in de Perica, de suikerplantage TenBurg in de rivier Commewijne, en de plantage De Hoop, eveneens in Perica (Lavaux, 1737).
Clasina en Balthasar kregen 1 kindje, een zoon. Het kindje werd naar de vader genoemd:

".... 1726 junij 20 junij is door mij gedoopt het soontje van Balthasar van der Meulen en Clasina van Egmond egte liden en genaamt Balthasar, geboren den 8 junij des bovenstaanden jaars. Peter en meter daarover Johannes Gerardus van der Meulen en Johanna Robberts weduwe Stevense. A: E: Engel ....."

Clasina woonde in die tijd op de plantage Meulwijk aan de Perica. Zij schreef zich in 1728 in als lidmaat van de kerk van haar divisie. Uiteraard had het echtpaar ook een huis in de stad, aan de Heiligeweg.
In 1736 is er opnieuw een levensteken in de archieven. In dat jaar maakte Balthazar van der Meulen een reis naar Amsterdam "met kind en een negerjongen". Balthasar junior was toen 10 jaar oud. Het gezelschap vertrok met het schip Batavorum onder schipper Simon Quaboer. Clasina wordt in de pasagierslijsten niet genoemd, en was blijkbaar in Suriname achtergebleven om de zaken waar te nemen.
Nog in datzelfde jaar 1736 is Balthasar overleden, want in een warrand van dat jaar wordt Clasina de "weduwe van Balthasar van der Meulen" genoemd.. Zij hertrouwde — wanneer precies is niet bekend — met Thomas Gieske.

Thomas Gieske was op 20 februari 1732 gearriveerd uit Amsterdam met het schip "Christina" onder schipper Pieter Verrijn. Hij maakte enige carriere in de planterij en was in 1745 vaandrig van de compagnie burgers van boven-Commewijne. In 1745 kreeg hij van het Hof van Civiele Justitie opdracht tot het administreren van de plantage Goed-Accoord aan de boven-Commewijne, dichtbij plantage TenBurg. Daarmee was hij overbuurman van Clasina van Egmond geworden. Omstreeks die tijd is hij met haar getrouwd. Het echtpaar woonde op haar plantage Tenburg. In 1753 is Clasina daar overleden. Haar graf is nog steeds daar:

Het graf van Clasina van Egmont. Foto dhr. Wolff, 2001

"...Clasina van Egmont
laast weduwe van
den weledele Heer
Thomas Gieske
obiit 3 november 1753 ...."

1753 - Balthasar van der Meulen junior

Na Clasina's dood werd haar nalatenschap geinventariseerd. Dat gebeurde enkele dagen later, op 10 en 11 november. Zij was geinteresseerd in de plantage Nieuw Meulewijk aan de Commewijne, de kleine grond la Solitude aan de Warapperkreek , en de middelgrote suikerplantage Tenburg met 193 slaven.
De erfenis ging geheel naar haar zoon uit haar tweede huwelijk, Balthasar van der Meulen junior, gehuwd met Anna Geertruyd Pieterson.
Waarschijnlijk waren de echtgenoten neef en nicht ; zij was een dochter van Paulus Pieterz en Aaltje van Egmont. Mogelijk waren Clasina en Aaltje zussen of nichten. Het echtpaar Van der Meulen-Pieterson woonde overigens niet meer in Suriname, maar had inmiddels domicilie gekozen in Amsterdam (?).
In 1757 overleed Balthasar aldaar. Zijn overlijden werd in de kerk van Paramaribo afgeroepen:

".....1757-september 15 Debet Johs: S: van Son — A doodgravers Emolum: voort bekentm: van de dood van d: H: Balth: van der Meulen f 9,- ......"

Pas in april 1758 werd het gezamenlijk bezit van Balthasar en Anna Geertruyd Pieterson geinventariseerd. De nalatenschap betrof de 3 plantages die Clasina aan Balthasar had nagelaten.

Anna Geertruijd Pieterson hertrouwde te Amsterdam met J: G: Graaf de Rayneval. In die tijd is de plantage Tenburg hernaamd tot Fauquembergue. De familie de Rayneval bezat namelijk de oude erfelijke titel "graaf van Fauquembergue". De plantage werd dus hernaamd naar het graafschap.

1767 - Louis de Borde de Jouy

In 1767 werd het gehele plantagebezit verkocht. De tijden waren gunstig, en de verkoop moet aardig wat hebben opgeleverd. De koper van Fauquembergue was Louis de Borde de Jouy, kapitein in Statendienst, en zijn echtgenote Maria Josepha l'Engelet, per acte van 23-07-1767.
Bij de overdracht in 1768 werd de plantage geinventariseerd. ; zij was 1269 akkers groot en had een slavenmacht van 193 slaven. De suiker werd geperst met een watermolen. (ARA inv. no. 695 fol. 497)

In 1770 heeft Louis de Borde de Jouy de plantage zwaar verhypothekeert bij het negociatiefonds onder D: Luden. Om een hoge hypotheek te verkrijgen werd een overdreven prisatie van F316.331,10 2/3 opgegeven als waarde van de plantage.

Na de beurskrach van 1770 braken moeilijke tijden aan. Louis kon zijn schulden niet meer aflossen en de plantage werd onder sequestratie geplaatst. In 1775 kwam deze in handen van het negociatiefonds. Via 4 inventarisaties uit de periode 1770-1775 is het verloop der zaken goed te volgen.

1772 - opstand

Het lijdt weinig twijfel, dat het fonds in dergelijke omstandigheden heeft geprobeerd uit de plantage te persen wat er nog te halen viel. De directeuren op Fauquemberg hebben blijkbaar een hard beleid gevoerd, waardoor een deel der slavenmacht uiteindelijk in opstand kwam. In 1772 gingen de slaven van Fauquemberg en Roosenbeek samen met de Boni-marrons tot actie over:

".... 1 juny 1772.... Nader tijdinge ingekoomen, dat de slaaven van de plantage Rosenbeek alle met de wegloopers het eens zijnde, na het vermoorden der Blanken begonnen hebben de gebouwen in Brand te steeken, doch door de militairen in die diviesie leggende zijn geattaqueerd, die na verlies van een doode en een gequetste, alle met malkander de vlugt hebben doen neemen (de vrouwen en kinderen reets vooruijt zijnde) .
Vermits dit 's nagts voorviel, is er eerst 's morgens een Commando van maar 22 nan Burgers en Militairen gevolgt, wordende meede bericht dat het volk eenige maanden geleeden van Faukenberg, daar in de buurt weggeloopen, zig bij die troep Wegloopers bevonden, en dat notoir die gemelde en andere Plantagien meede op de Sprong staan ....

".... 4 juny 1772 ..... en is den Eijgenaar van de Plantage Nw Rosenbeek als meede Een van deszelfs Slaaven, die reets door de Wegloopers aangehouden geweest, doch ontvlugt is, gehoord
Deeze confirmeeren, dat het de Troep van Baron is geweest, met de Slaaven van Faukemberg, en tragten te beweeren dat de slaaven van Rosenbeek er niets van geweeten zouden hebben, doch 't geen niet wel mogelijk geacht word, immers dat eenige der principaalsten daarvan geen kennissen hebbe gehad ;
voorts berigtte gem: Neger dat Baron zou gezegt hebben, dat de slaaven van Faukemberg hem daar hadden gebragt om hun plantage af te loopen en haar Vrouwen en Kinderen te haalen, dog dat Rosenbeek in den weg leggende, omdat zij daarover de retraitte moesten doen, zij die eerst weggenoomen hadden ; dat zij meede de Plantagien in Cottica en Pirica weeder zouden bezoeken, en dan weeder in Commewijnen, dat nu weeder voor hen open leij, zouden koomen....."
(gouverneursjournaal 1772)

De groep sloot zich aan bij de bevolking van het versterkte dorp Boekoe, in de moerassen onder Cottica. Hoe het verder met hen is afgelopen is niet bekend. Waarschijnlijk zijn zij uiteindelijk met Boni naar Frans-Guyana getrokken.

In 1773 arriveerde de kapitein John Stedman in het land. Hij ontmoette in Paramaribo een 15-jarige slavin, genaamd Johanna, en raakte verliefd op haar :

".... vroeg ik aan mevrouw Demelly, wie deze jonge dogter was, die boven alle andere van haar zoort in de volksplanting zoo zeer uitmuntte?
Deze vrouw antwoordde mij: "Zij is de dochter van den heer Kruythof, één der fatsoenlijkste Colonisten, en van eene negerin, genaamd CERY, welke aan den heer D.B. toebehoord, en haar verblijf houd op zyne plantagie, genaamd Fauconberg, gelegen aan de oevers van het bovenste gedeelte der rivier Commewyne.
Het is eenige jaaren geleden, dat de heer Kruythof, die nog vier andere kinderen bij deeze zelfde vrouw had, meer dan duizend ponden sterling aan den heer D.B. aanbood, om hen in vrijheid te stellen, of aan hem te verkoopen. Het wierd hem geweigerd. Dit had zoodanig gevolg op zynen geest, dat hy er het gebruik der reden door verloor, en korten tyd daar na van hartzeer stierf, laatende twee zoons en drie schoone dogters, waar van deeze de oudste is, in slavernye, en onder eenen wreeden meester.
De heer D.B. intusschen ontfing weldra de belooning van dit gedrag. Door zyne onrechtvaardigheid en gestrengheid, deed hy zyne beste negers, die timmerlieden waaren, in de bosschen wegvlugten, en wierd daardoor bedorven. Genoodzaakt zynde de Volksplanting te verlaaten, liet hy alle zyne goederen ter beschikking zyner schuldeisschers. Toen vonden CERY en haare kinderen eenen beschermer in een van die ongelukkige weggeloopen slaaven, wiens naam is JOLI-COEUR ; hij is tans de eerste Capitain onder Baron : gy kunt hem in de legerplaats der muitelingen ontmoeten, daer hij niets dan haat en wraak tegen de Europeanen ademt.
Mevrouw D.B. bevind zig steeds te Surinamen, alwaar de schulden van haaren man haar houden, tot dat Fauconberg verkocht is, om dezelve te betaalen. Deeze vrouw is tegenwoordig bij mij gehuisvest, alwaar de ongelukkige JOANNA haar bedient ; en zij behandelt dit jong meisjen met veel tederheid en achting...."

In 1773 werd Fauquemberg verkocht. Stedman vermeldt dat de nieuwe eigenaren de heren Passalaigue te Amsterdam zijn. Joanna werd dus het eigendom van Passalaigue. De heer Lolkens, een vriend van Stedman, bleef administrateur der plantage. In 1774 probeerde Stedman haar vrij te kopen, maar Passelaigue sr. overleed, en de plantage werd opnieuw verkocht, ditmaal aan de heer Luden te Amsterdam. De administratie van de plantage werd overnomen door G. A. D. de Graaf, met wie Stedman eveneens bevriend raakte. Stedman, inmiddels vader van een zoon, schreef aan Luden met het verzoek Joanna en hun zoontje Johnny te mogen kopen. Luden stelde de koopprijs vast op 2000 gulden, wat Stedman nooit heeft kunnen opbrengen. Bij zijn repatriëring in 1777 heeft hij zijn gezin moeten achterlaten. Joanna overleed in Suriname in 1783. Johnny Stedman werd herenigd met zijn vader, maar hij stierf op jonge leeftijd als adelborst nabij Jamaica.

In 1778 was het gevaar der Boni-negers geweken, en de administrateurs van Fauquemberg trachten de plantage beter te bevolken door de slavenmacht van plantage Killestein Nova erheen te brengen. Dit bleek een grove misrekening :

"... dog de slaaven sig daar absolut teegen versetten, seggende nooit gedagt te hebben zoo behandelt te worden voor hunne getrouwigheid in 't jaar 1776 betoond bij de attaque der wegloopers, daar se de plantagie gedefendeert in plaats van met de wegloopers te gaan, daar se de de beste geleegenheid toe hadden ; dat se niet alleen meest op die plantagie (i.e. Killestein Nova) gewonnen & gebooren zijn, nu onder andere slaaven gebragt zouden worden , daar de weggeloopen slaaven van die plantagie de wegloopers bij hen hadden gebragt, en dat se met dezelve nimmer zouden kunnen harmonieeren....."
(gouverneursjournaal)

De administrateurs verzochten de overheid om militaire bijstand bij het transport. De overheid zond eerst ter poolshoogte de burgerkapitein van het district. Deze rapporteerde:

".... dat de slaaven van Killestein Nova hem hebben verzeekert dat sij zouden volharden trouwe slaaven te blijven, en hun werk na als voor met allen ijver zouden waarneemen, dog dat se ook bleven volharden te versoeken van niet getransporteerd, maar op haare plantagie mogten gelaaten worden ....."

De overheid bleek vatbaar voor hun argumenten en — vooral — hun onverzettelijkheid. Aan de administrateurs werd verdere bijstand geweigerd. Het transport is niet doorgegaan.

1793 - 't fonds onder D. Luden (almanak 1793)

De directeur / administrateur was J: van Dorp.

1821 - J. Luden, A. Luden (almanak 1821)

De suikerplantage was 1259 akkers groot ; de administrateur was C: F: Rucker. De plantage was duidelijk in een moeilijke periode. In 1830 waren er nog maar 37 slaven, veel te weinig om productie te leveren.

1843 - wed: del Castilho (almanak 1843)

suiker, 1259 akkers, 146 slaven. Een enorm verschil met 1821. De directeur was F: de Nieveld; de administrateur H: G: Roux & R: del Castilho & S: Wittering, seq.

1863 - emancipatie

De plantage komt niet voor op de emancipatielijsten van 1862, en was klaarblijkelijk al verlaten.

2002 - verlaten en overwoekerd met bos

Slechts de grafsteen van Clasina van Egmont herinnert aan vroeger tijden.

bronnen :

top ^

boeken en artikelen

1.1 - journaal gouverneur Nepveu, 1772

1.2- John Gabriel Stedman
Reize naar Surinamen 1772-1777 - 1e uitg. 1796. Voor deze studie is gebruik gemaakt van de uitgave 1987 Walburg pers.

top ^

databases op het internet

2.1 - Philip Dikland — oud archief der burgerlijke stand in Suriname

top ^

inventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag

Van plantage Tenburg :

1753 - ARA NOT 194-950

gegevens: 1269 9/10 akker, 193 slaven, watermolen, suiker, paarden, vee.
Eigenaar: wijlen mej: Clasina van Egmont, weduwe van Thomas Gieske

1758 - ARA NOT 202-605

gegevens: 1269 9/10 akker, 184 slaven, watermolen, beestenmolen, suiker, paarden, hoornbeesten, kost en kleinvee, taxatie Nf 122.740,16
Eigenaar: wed: A: van der Meulen-Pieterson en haar onmondige kinderen, waarover zij voogdes is

Van plantage Fauquemberg :

1768 - ARA NOT 695-497

gegevens: 1269 9/10 akkers, 193 slaven, suiker, watermolen, hoornbeesten, kleinvee, kost.
Eigenaar: overdracht van eigendom der plantage aan: Louis de Borde de Jonij, kapitein in Statendienst, koper der plantage en zijn echtgenote Maria Josepha I ' Engelet, per acte van 23-07-1767

1770 - ARA NOT 700-148

gegevens: 1269 9/10 akkers, 184 slaven, watermolen, suiker, kost, weidegrond, koffie, hoornbeesten, kleinvee, taxatie: Nf 316.331,10 2/3
Eigenaar: Louis de Borde de Jouy

1772 - ARA NOT 237-168

gegevens: 1269 1/10 akkers, 143 slaven op de plantage, 19 slaven te Paramaribo, 8 slaven weggelopen, watermolen, suiker, kost ; nog 58 akkers met koffie, deze grond heeft L: de Borde de Jouij gehuurd van de plantage Appacappe
Eigenaar: Louis de Borde de Jouy

1773 - ARA NOT 240-587

gegevens: 1269 9/10 akkers, 159 slaven, watermolen, suiker, kost ; nog een stuk grond van 58 akkers met koffiebomen die L: de Borde de Jouij heeft gehuurd van de plantage Appocappo
Eigenaar: L: de Borde de Jouij (vroegere eigenaar) ; Isaak Passalaigue ten name van het comptoir van negotie van Theodore Passalaigue en Zoon (koper op publieke veiling)

1775 - ARA NOT 243-149

gegevens: 1269 9/10 akkers, 150 slaven, watermolen, suiker, tayer, bananen, cassave, koren ; koffiebomen geplant op 58 akkers land in huur van de plantage Appecappe. Deze akkers zijn weer verhuurd aan L: de Bordes huurder.
Eigenaar: fonds van negotie, opgezegd binnen de stad Amsterdam, onder directie van J: Passalangue en Zonen en thans onder directie van Dirk Luden

top ^

archief Dienst der Domeinen te Paramaribo

1734 - meetkaart van Jan Fruytenier, 1734 (in 1856 gecopieerd)

Ik ondergeschrevene verclaare bij deesen gemeeten en afgestoken te hebben ten verzoeke van de Heer Balthazar van der Meulen twee stukken land gelegen in de rivier Commewine aan beijde seijden, sijn begin nemende met de boven lijn der plantage Vlammenburg ter plaatse alhier gemerkt met de letters A en van daar sig uitstrekkende comforma deze twee figuuren als A,B,C,D,E,F,G voor 801 2/10 acker en de figuur G,H,J,K, groot 468 7/10 ackers bedragende aldus te samen een nummer van 1269 9/10 ackers zijnde 33 ackers minder als Cornelis Boogaart op zijn caart van dato 20 julij 1684 heeft gestelt.
Aldus gedaan den 23 november 1734
/ was getekend / Jan Fruijtenier geswooren landmeter

Gezien de nevens staande caart der uitmeetinge door den landmeeter Jan Fruijtenier gedaan begrijpende een nomber van twaalfhondert negen en zestig en negen tiende ackers.
Approbeere deselve meetingen alle sijn leeden en deelen.
Actum Paramaribo den 29 maart 1736
/ was getekend / J: Raije
Ter ordonnantie van de Gouverneur
/ was getekend / W: H: van Huijden secretaris

Gekopieerd door mij ondergeteekende ingevolge origineel berustende ter Gouvernements Secretarij te portefeuille van kaarten der landerijen gelegen aan de rivier boven Commewijne en wordt in het certificeert breedvoeriger omschreven.
Paramaribo den 24 april 1857
de beeedigden landmeter en rooijmeester dezer colonien

1856 - Certificaat

Relatief de verlatene plantaadje Faugenburg gelegen aan de rivier boven Commewijne regter en linkeroever aankomende den boedel van Salomon de La Para als eijgenaar van plantage Geuneeschen Vriendschap ; de uitgifte van opgemeld perceel land uitmakende de plantaadje Fauquenburg heeft plaats gehad in den jare 1736, waarvan ter gouvernements secretarij geen warrand aanwijzig is, daar de warranden eerst in den jare 1744 de aanvang nemen ; alzoo wordt voor het onderwerpelijk plantage een nieuwe warrand vereijst
De kaart van meergemeld erf is geteekend door den landmeter Jan Fruijtenier dd 23 november 1734 en geapprobeerd dd 24 maart 1736, waarvan door mij ter requisitie van de Heer Curator als beherende boven gemelde boedel twee kopien zijn vervaardigd.
Deze gemelde plantage Fauquenburg is groot volgens de kaart 1269 9/10 ackers met eene breedte en diepte als op de kaart door de letters A B C D E F G H en I worden aangewijzen.
Aldus afgegeven door mij alhier aan Paramaribo den .........1856

OPM: de landmeter uit 1856 neemt 1736 als het jaar van gronduitgifte. Dit is onjuist. Het juiste jaar is waarschijnlijk 1684, toen Cornelis Bogaert de eerste kaart van de plantage vervaardigde.

top ^

over de familie van der Meulen

De familie Van der Meulen was al in 1669 in Suriname. In dat jaar werd een petitie van de inwoners aan het gouvernement mede-ondertekend door "Hendrijck ...... van der Meulen". In 1670 verhuurde gouverneur Lichtenbergh gouvernementslaven aan een ander familielid, Balthasar van der Meulen:

"....... twelck mij heeft doen resolveeren om de negers aen eenen Balthasar van der Meulen te verhuuren, die voor 12 negers in huur, 15000 pond broot voor het guarnisoen jaerlixs sal fourneeren ......."

Over Hendrick en Balthasar is niet veel bekend. Een van beiden is de stichter van de plantage Meulwijk aan de Perica, en mogelijk ook van Tenburg aan de boven-Commewijne.
Balthasar van der Meulen was gehuwd met Johanna Robberts. Er zijn 6 kinderen bekend

Philippa (vóór 1689 - ?) x Willem Bedloo
Balthasar (vóór 1689 - ?) x Clasina van Egmond
Johannes Gerardus (1691 - 1728) x Anna Maria Swart
Apolonia (1693 - ?)
Joanna (1702 - 1743) x Gerbrand van Sandick ; x Nicolaes Braet
Josina Catharina (1706 - ?).

De dooparchieven vangen aan in 1689, en Philipa en Balthasar junior staat er niet in vermeld, want zij zijn waarschijnlijk voor die tijd geboren.

Balthasar senior is in 1712 of 13 gestorven. In 1713 hertrouwde Johanna Robberts met Jan Savens, weduwnaar van Jeanna Winne, geboren van Vlissingen

top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: