Campenburg aan de Commewijnerivier

plantage Campenburg aan de beneden-Commewijnerivier
volksnaam "Lakroewa" - de la Croix
rechteroever bij het afvaren
volgorde bij het afvaren: Frederiksburg, Campenburg, het Vertrouwen, Mon Souci, Killenstein

Van de plantage is thans (2001) niets meer over. De sluizen zijn allang onderkelderd en in de trenzen gevallen. Slechts de helft van de sluis op de grens met Het Vertrouwen staat nog overeind.

chronologie:

1746 - gronduitgifte

Na het gereedkomen van fort Nieuw-Amsterdam in 1746 was de commewijnerivier volledig beschermd en werden de gronden aan de monding van de rivier ontgonnen.
Lot no. 8, de grond van de plantage Campenburg, werd in 1746 verstrekt aan Otto Frederik van Alphen. Landmeter Pierre Gardin verrichtte de perceelmeting en gaf het meetcertificaat af:

".... Uijtkragte der ordre van den WelEdele Gestrenge Heer Mr: Joan Jacob Mauricius Gouverneur Generaal dezer colonie Suriname Rivieren en Districtien van dien &&& in dato 27 meij 1746 heb ik ondergesz: geswoore landmeeter gemeeten een stuk land no. 8 groot vijfhondert ackers geleegen in de rivier Commewine aan de linkerhand in 't opvaaren tusschen het land no. 7 van de Heer Charles Joubert en no. 9 van de Edele Agttbaare Heer J: P: Taunaij, bij looting te beurte gevallen aan de Heer Otto Fredk: van Alphen, alles ingevolge den warrand door de Edele Geoctroijeerde Societeijt van Suriname aan de selve verleent zo als de figuur ABCD aanwijst.
Actum Paramaribo den 29 september 1746, P: Gardin gesworen landmeeter ...."

Van Otto Frederik is maar weinig bekend. Hij komt niet voor in de doop- en trouwregisters van de gereformeerde en lutherse kerken. Alleen zijn dood staat genoteerd. Hij overleed te Paramaribo in 1774, maar de plantage was toen allang niet meer in zijn bezit. Waarschijnlijk heeft hij ze omstreeks 1750 verkocht. De nieuwe eigenaar was Isaack de a Croix.

circa 1750 - la Croix, 500 akkers

De eigenaar Isaac de la Croix (1709 - 1775 N.O.T.) was de "rooymeester der mallasie en dramvaten der Colonie van Surinamen".Hij was geboren te Campen, en gaf de plantage derhalve de naam Campenburg. In 1748 huwde hij met Elisabeth Beekmans:

"......1748 op heeden den 1 maart zijn ten overstaan van de Edele Achtb: heeren Nicolas van Ernkhuijse en Jan Fredrick Sromer raeden in den Ed: Hove van Politie en Crimineele Justitie door mij secrets: na behoorlijcke ondervraagingh tot den huwelijcken staat in en aangeteeckent, Isaac de la Croix jongman van de gereformeerde religie geboortigh in Over Yssel tot Kampen woonagtig aan Parambo: en Elizabeth Beekma[ns (0)] jonge dogter meede van de gereformeerde relegie geboortig tot Crudenbergh bij Weesel woonachtig tot Parambo: beijde geadsisteerd met de Ed: Agtb: heer Jan Bavius de Vries raed in den Edele Hove van Civiele Justitie en mejuffrouw Maria Jans weed: van wijlen de heer F: C: Bosse......"
(registers ondertrouw Raden van Politie 1742 - 1766)

Elisabeth stierf in 1759 en werd op de plantage begraven. Isaac hertrouwde in 1760 met Louisa Catharina Bode. Uit hun huwelijk zijn 3 kinderen bekend, waarvan 2 jong gestorven zijn.

In 1772 was Isaac een der grootste huiseigenaren van het land. Hij bezat twee kapitale panden aan de waterkant, elk met een huurwaarde van f 3000,-. en verder drie dure panden aan de knoffelsgracht. Niet slecht voor een rooimeestertje ; of is er wat anders aan de hand ?

En inderdaad, het Rooimeesterschap was feitelijk slechts een bijbaan. De La Croix' hoofdbezigheidwas agent van het Nederlandse negociatiefonds Schouten & Valens. Hij was samen met een man als Jacob Saffin een grote deelnemer in het schemerige spel van overwaardering van plantages ter verkrijging van een overtrokken krediet. Hij leefde van de kredietprovisie, dus hoe meer crediet er werd verstrekt, des te beter voor hem persoonlijk. Tot 1770 ging het hem heel goed, de tijden waren gunstig, en zijn zaken maakten hem een rijk man.

In 1770 klapte de zeepbel uiteen. De Hollandse beleggers beseften uiteindelijk dat de overtrokken Surinaamse negociaties slechts verlies opleverden, en de interesse in nieuwe negociaties werd vrijwel nihil. Het land dook in een diepe crisis, waarvan het in feite nooit is hersteld. Maar mensen als De la Croix hadden hun fortuin gemaakt, de rest zou hun een zorg zijn.
Wolbers (p. 303) beschrijft de waanzin rondom de leningen :

"... In de meeste straten van Paramaribo vond men agenten, van procuratieen voorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname's ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk. En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot de hoogsten prijs te verkoopen : om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen ; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die nauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.

Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren de La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze De La Croix, "de doortraptste van alle agenten", had onbepaalde orders om over geld te beschikken ....."

Overigens is de naam de la Croix een zeer oude naam in de kolonie. Reeds in 1686 (labadistenkaart) was ene La Croix eigenaar van een plantage aan de "Bottel kreek", de verbindingskreek tussen Commewijne en Cottica. Waarschijnlijk is dit de latere plantage "De Hoop" aan de Perica. Verder komt in de kerkeboeken Francina de la Croix voor, vanaf 1722 gehuwd met Pieter Winne. Tenslotte is de naam P. H. de De Lacroix bekend, wiens vrouw Anthoinette Mala (1686-1747) in de hervormde kerk ligt begraven.

1770 - 1772 - diverse eigenaren (inventarisaties ARA)

In een korte tijd vond er een snelle wisseling van eigenaren plaats. Blijkbaar werd er stevig gespeculeerd met de plantage.

In 1768 kochten Jan Willem van Wijk en Bernardus Ijsendoorn de plantage van Isaac de la Croix. De plantage werd getaxeerd op F 98.919,10

In 1770 verkocht eigenaar B. Ijsendoorn de plantage aan J.G.A. Geselschap. De taxatiewaarde was 211.062,16, en de koopsom zal niet ver daarvandaan zijn geweest. Dus een enorme waardestijging van F 110.000,- ten opzichte van twee jaar daarvoor ! Ijsendoorn heeft een goede slag geslagen, en Geselschap bleef zitten met een veel te duur ingekochte plantage. Een jaar later was hij feitelijk failliet en werd de plantage onder sequestratie geplaatst. Bij die gelegenheid werd de plantage geinventariseerd: ze was slecht onderhouden, en met slechts een kleine slavenmacht. Geselschap had een kat in de zak gekocht.

In 1773 werd de plantage geveild. De kopers waren de Amsterdamse kooplieden Hubertus van Hermaal en Van den Bosch.

1793 - wed: van der Velden geb: Nepveu (almanak 1793)

De plantage verbouwde katoen. De administrateur was P: W: Spillenaar.

Ook de plantage Spieringshoek aan de overzijde der rivier was eigendom van mevr: van der Velden.

1821 - chirurgijns etablissement, 725 akkers (almanak 1821)

na 1821 -F. Taunay

Jan Frederik Taunay was de grootste administrateur van Suriname. Hij voerde in 1821 het beheer over 39 plantages, waaronder twee van hemzelf. Daarnaast was hij koopman en assuradeur te Amsterdam. Hij was gehuwd met Anna Maria Scharff.

De plantages in eigendom van Jan Frederik waren Het Vertrouwen en Frederiksburg. Vermoedelijk was ook het tussenliggende chirurgijnsetablissement Kampenburg inmiddels zijn bezit. Aldus had hij een aaneengesloten bezit van bijna twee kilometer rivierbreedte. Ook de nabije plantage La Singularite werd aangekocht.

De kinderen van Jan Frederik en Anna Maria zijn alle opgevoed in Nederland. Eén van hun zonen, Jan Paulus Taunay (1780 - 1859) was plaatsvervangend rechter te Amsterdam in de Napoleontische tijd, en was eigenaar van een landgoed te Velsen.

Jan Frederik Taunay was een onbetrouwbare figuur, die zijn vertrouwensfunctie misbruikte om zichzelf te verrijken. Tijdens het engelse tussenbestuur was het niet meer mogelijk om de inkomsten der plantages over te maken naar de eigenaren in Nederland, en Taunay en andere administrateurs hebben hiervan misbruik gemaakt, door de plantageoogst te verkopen op de engelse markt, en de inkomsten in eigen zak te steken. De engelse gouverneur Bonham kwam hierachter, en onthief Taunay in juni 1813 van alle buitenlandse administraties. Ook moest hij zijn functie van raadsheer van Politie ter beschikking stellen.

Teneinde dergelijke malafide zaken in te dammen, hadBonham reeds in Maart 1813 de engelsman John Bent aangesteld als controleur der administrateurs.Iedere administrateur werd verplicht om maandstaten van zijn administraties te overleggen.Deze maatregel stuitte op zeer veel tegenstand , en werd uiteindelijk na een sterke lobby van de administrateurs bij de engelse regering, teruggedraaid.

Maar Bent's korte administratieve toezicht heeft duidelijk aangetoond, de medogenloze wijze waarop de administrateurs de plantages uitmelkten voor hun persoonlijke rijkdom.Zij deden dit door het zwaar overfactureren van plantage-inkopen en vrachttarieven.Zelfs het geld van erfenissen hielden zij ten onrechte in beheer.

In 1814 kreeg Bonham de opdracht Taunay weder in functie te herstellen.Aldus geschiedde, maar de zich sterk wanende Taunay misdroeg zich op de raadsvergaderingen dermate, dat hij wederom werd geschorst en veroordeeld tot een boete van f 12.750,-

Wolbers (p. 593) beschrijft Bonhams reactie op het vonnis:

".....Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg, doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof had gewezen, had de gouverneur zich als partij wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen.Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst (zijn superieur in Engeland) erover, dat men te Londen op slechte informatien afging; " want", schrijft hij : ware dit niet het geval geweest, dan zou de heer Taunay nimmer een "gentleman of high respectability" zijn genoemd, daar hij zoiets niet is en daarenbooven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is ...."

1843 - F: Taunay (almanak 1843)

In 1832 wordt de plantage vermeld in het boek van M.D. Teenstra. Deze was toen 725 akkers groot, en vormde samen met de naastliggende plantages Het Vertrouwen en Frederiksburg één plantagecomplex. De plantages waren geconverteerd van koffie naar suiker. Het riet werd verwerkt met een watermolen, die was opgesteld op Vertrouwen.

In de Surinaamse Almanak van 1843 staat F: Taunay vermeld als de eigenaar ; directeur van het 3-plantagecomplex was H: F: Ritter, en de administrateur J: Zaal.

Is deze Fredrik Taunay nu dezelfde als de Jan Frederik Taunay waarover Bonham schrijft ? Of was het diens zoon ? Het verhaal is nog niet helemaal sluitend. Jan Frederik was gehuwd metAnna Maria Scharff. Fredrik Taunay was gehuwd met Elisabeth Hendrina Limes. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar nader onderzoek is noodzakelijk.

Fredrik Taunay overleed in 1850. Blijkens zijn testament was hij toen eigenaar van het plantagecomplex Vertrouwen — Kampenburg — Frederiksburg, en de stoomsuikerplantage La Singularité.

Fredrik Taunay Fz. (1829- NOT 1880) (CBB 1880 f. 234)

Na de dood van Fredrik Taunay werd de plantage geerfd door 8 erfgenamen Taunay, mogelijk allemaal zoons en dochters van Fredrik. In ieder geval kwam de zoon Fredrik Taunay Frederikszoon naar Suriname en nam het bestuur van de plantage en de overige zaken van zijn vader over. Hij huwde met Maria Geertruida Susanna Wesenhagen (1838 - NOT 1899). Fredrik junior was 1/8 eigenaar van de plantage.

Zijn zoon Daniel Willem Taunay (1857 - NOT 1883) is vrij jong gestorven en heeft nauwelijks de kans gehad de plantage over te nemen. (CBB 1883 f. 614)

Voorts is nog bekend de dochter Elisabeth Taunay (1855 - NOT 1893) (CBB 1893 f. 771)

1863 - emancipatie

Ten tijde van de emancipatie was het Vertrouwen samen met Kampenburg en Frederiksburg een suikerplantage met 377 slaven. De bekende surinaamse familienamen Boreel en Rusland stammen van de plantage. De 8 eigenaren, de erven van Frederik Taunay,ontvingen een "tegemoetkoming" adf 111.900,-- en f 7.500,-- . Deze eigenaren woonden allen in Nederland. Het waren:

Jan Daniel Taunay - 1/8 aandeel Advocaat en commisionair te Amsterdam; geboren op 31-01-1815 te Paramaribo, overleden op 06-07-1888 te Amsterdam op 73-jarige leeftijd, gehuwd in 1845 met Hillegonda Catharina Helena Waller ; jur.dr. Leiden 1840, zoon van Fredrik Taunay en Elisabeth Hendrina Limes.

Charlotte Jacoba Taunay - 1/8 aandeel echtgenote van Balthazar Jan Frederik Marcus (burgemeester Nieuwe Amstel)

Susanna Taunay - 1/8 aandeel wed. van Daniel Willem Croockewit , woonachtig te Sint Anna bij Nijmegen

Sara Frederica Taunay - 1/8 aandeel echtg. van Pieter Johannes Bastiaans, woonachtig teSint Anna bij Nijmegen

Jacoba Taunay - 1/8 aandeel zonder beroep, woonachtig te Amsterdam

Adriana Maria Taunay - 1/8 aandeel echtg. van Louis Diederik Taunay (burgemeester Weespercarspel)

Adriaan Taunay voor 1/8 aandeel

Frederik Taunay voor 1/8 aandeel

De plantage La Singularité wordt in de emancipatieregisters niet genoemd, en was waarschijnlijk al buiten productie gesteld.

In de periode 1868 - 1928 ontving de onderneming 142 hindustaanse contractanten, en 158 immigranten uit Java.

De gezagvoerders in die tijd waren:

1868 F. Taunay Fz. (contractanten kwamen uit Barbados)

1884 - 1907 R.H. Leysner

1909 J.D. Fernandes en J.S. Swijt, eigenaren van plantage 't Vertrouwen

1910 J.S. Swijt, beheerder

1917 - 1925 J.D. Fernandes, beheerder

1928 J.J. Bueno de Mesquita

1889 - R. H. Leijsner (almanak 1889)

De onderneming produceerde geen suiker meer. Men verbouwde cacao, en wat bananen. Kampenburg en Frederiksburg worden niet genoemd, maar zijn onder de naam "Vertrouwen" gevoegd. Van de totale oppervlakte van 933 ha. was slechts 84 ha. in cultuur. La Singularité wordt eveneens niet genoemd, en was waarschijnlijk opgehouden te bestaan. Gezagvoerder op Vertrouwen/Kampenburgh/Frederiksburgh was Chs. Elder jr.

Rudolph Hendrik Leijsner (1839 - NOT 1907), zoon van Carel Jacobus Leijsner, was eigenaar van Vertrouwen, Campenburg en Frederiksburg, en daarnaast administrateur van diverse plantages. Hij was gehuwd geweest met Sophia Ringeling (1832 - NOT 1870), vervolgens met Frederika Antoinette Verschuur. Hij woonde in Paramaribo aan de Heilige weg L C N 143.

2000 - eigenaar onbekend

De plantage is volledig verlaten en begroeid. De waterlozingen zijn wegge-erodeerd.

top ^

bronnen:

Philip Dikland — database gereformeerden

Heinrich Helstone, Okko ten Hove — database emancipatieregisters 1863

Maurits Hassankhan e.a. - database javaanse en hindustaanse emigratie

J. Wolbers, geschiedenis van Suriname, uitg: 1861, p. 304 e.v. ; p. 575 e.v.

inventarisaties:

jaar 1767- ARA NOT inv. no. 225 p. 034
500 akkers, koffie & katoen, 40 slaven, NF 78.401,-
eigenaar: Isaac de la Croix

jaar 1768 - ARA NOT inv. no. 696 p. 270
500 akkers, koffie & katoen, 64 slaven, NF 98.919,-
eigenaar: J: W: van Wijk en B: Ijzendooren

jaar 1769 - ARA NOT inv. no. 692 p. 921
500 akkers, koffie & katoen, 26 slaven, NF 37.475,-
eigenaar: Isaac de la Croix (??)

jaar 1770 - ARA NOT inv. no. 697 p. 824
1000 akkers, koffie & katoen, 73 slaven, NF 211.062,-
eigenaar: J: G: A: Geschelschap heeft gekocht van B: Ijzendooren

jaar 1771 - ARA NOT inv. no. 231 p. 169
1000 akkers, koffie, slecht onderhouden, 58 slaven
eigenaar: J: G: A: Geselschap (onder sequestratie)
jaar 1773 - ARA NOT inv. no. 239 p. 309
koffie, 36 slaven
eigenaar: Hubertus van Hermaal en Van den Bosch, kooplieden te Amsterdam, gekocht op publieke veiling van J: Geselschap

Dit artikel is afkomstig van Suriname Helppagina.com
http://www.surinamehelppagina.com

De bron van deze tekst is:
http://www.surinamehelppagina.com/modules.php?name=Sections&sop=viewarticle&artid=473

top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: