Arendrust aan de Commewijnerivier

volksnaam "di Losi" - des Loges
boven-commewijne, rechteroever bij het afvaren
volgorde bij het afvaren: Makreabo, Potribo, Stolkertsijver, Arendrust, Penoribo, Rosenburg

Het hoofdhuis op de afbeelding (met ingebouwde galerij) vertoont overeenkomst met het huis van de plantage Frederiksdorp. Deze Ingebouwde galerijen werden ongeveer tot 1750 toegepast.

Het is niet duidelijk hoe de naam Arendsrust tot stand is gekomen. In 1699 woonde te Paramaribo Francina Arends, gehuwd met Cornelis Elders. In 1716 is er sprake van Elisabeth Arends, gehuwd met Jan la Rue. In 1772 bewoonde de weduwe Arends (Arens) een duur huis in de Herenstraat. Misschien is deze familie Arends de stichter van de plantage.

Momenteel is de plantage volledig verlaten. Er resteert nog de ruïne van 1 loossluis, of mogelijk is het de inneemsluis.

chronologie:

stichting ca. 1680(kaart F. de Witt, 1688)

Op de kaart van Frederic de Witt uit 1688 is de plantage reeds aangegeven. De legenda van deze kaart is echter verloren gegaan, zodat de eigenaar niet bekend is.

1737 - Franc Desloges, 1218 akkers (kaart Lavaux 1737)

De plantage heette toen reeds Arendslust, en was 1218 akkers groot.

De eigenaar was Francois Desloges (1708-1763), de zoon van Anthoine Desloges, eigenaar van de grote suikerplantage Tout Lui Faut aan de Surinamerivier. Francois was tevens eigenaar van een kleine grond van 300 akkers dichterbij het fort Sommelsdijk. Later werd deze grond Mijn Hoop genoemd.

In 1726 huwde Francois met Elisabeth Plequet.

"......1726 januari 23 ondertrouwt Francois Desloges jongm: geboren aan Paramaribo, met Elisabeth Plequet jonge dochter geboren te Middelburg in Zeeland & 12 februari op de plantagie van de bruidegom ouders door mij bevestigt -
A.A. Engel V.D.M ....."

Het echtpaar kreeg 3 dochters: Anna Elisabeth (1727), Geertruy Francina (1728) en Johanna Catharina (1730). Waarschijnlijk zijn er meer kinderen geweest, maar dat is niet meer te achterhalen: de doopregisters van de gereformeerde gemeente tussen 1730 en 1770 zijn verloren gegaan.

Vanaf 1756 was Francois Raadsheer van Politie. Op een zeker moment, de archieven vermelden niet wanneer, is Elisabeth overleden. Francois hertrouwde met Susanna de la Marre.Zij overleed in 1759,Francois 4 jaren later in het jaar 1763.

"......1759-januari 26Debet Francois des Loges — A kerkegeregtigh: voor 't begrav: van zijn Ed: beminde Susanna de la Marref 50,- ....."

"......1763-augustus 28Debet Boedel Francois Desloges — A kerkegeregtigheid voort begraven van hem zelfsf 50,- ..."

1770 F. de Loges (kaart Lavaux 1770)

1793 't fonds onder Rutger Braamcamp (sur. almanac 1793)

De administratie werd gevoerd door E. P. Ferrand, J. J. Ferrand, N. Polak en J. Thym. Een waterhoofd aan administrateurs, zo lijkt het. De directeur was J. H. Leevering.

1821-1832 J.J. Poncelet en zoon qq (sur. almanak 1821)

De plantage was 1218 akkers groot. In 1821 werd de administratie van de plantage gevoerd door J. J. Ferrand en N. Veeckens ; de dagelijkse leiding op de plantage was in handen van J.J. Straman.

In 1830 bezocht M.D. Teenstra de plantage om gegevens te verzamelen voor zijn boek "de landbouw in de kolonie Suriname". Arentsrust was op dat moment 2218 akkers groot, met een slavenmacht van 120 mensen. Het riet werd afgemalen met een waterwerk.
Teenstra vermeld de plantage ook in een ander geschrift “de negerslaven in de kolonie Suriname”.

“... de negers van de nabij gelegen plantage Siparipabo (thans verlaten) zouden naar Arendsrust overgebracht en aldaar met de negermacht verenigd worden. De negers weigerden dit, vooreerst uit gekleefdheid aan de grond waar zij geboren waren en hun ouders en bloedverwanten begraven waren, en ten andere om niet onder de strenge directeur van Arendrust, de heer B.A. Gerritsen, te willen dienen. Een veertiental negers en negerinnen begaven zich dan naar Paramaribo ten einde hun bezwaren tegen dit verhuizen op te geven en recht te zoeken.Deze Gerritsen beschuldigden zij allen van wreedheid en mishandeling van de slaven, er eenparig bijvoegend, dat hij een wegloper van Arendrust doodgeschoten, de schaamdelen afgesneden en in het water geworpen had.
Dan de negers werden, terwijl zij de grond van hun geboorte kusten, met geweld weggevoerd en aan hun woningen onttrokken. Al deze “misdadigers” kregen voor deze vermetelheid om recht te zoeken dubbele Spaanse bokken van 300 slagen (150 slagen op iedere zijde), terwijl de medegevangen neger Pieter, die uit vrees voor een zo geduchte straf ontvlucht was, 400 stokslagen kreeg.
Bovendien werden zij gebrandmerkt en voor twee jaar in bandietenboeien met zware kettingen geklonken, wegende voor iedere neger tussen de 25 en 30 Nederlandse ponden ...
... de strafoefening werd uitgevoerd in januari 1830, op de plantage Arendrust, in het bijzijn van een commissie van het Hof van Civiele en Crimineele Justitie, en in het bijzijn van de gehele slavenmacht ...
... op de suikerplantage wordt de gestrafte met een ketting aan het stookgat vastgeklonken. In welk geval hij een ijzeren das van een hand breedte om de hals heeft, een dito buikband en twee voetboeien om de benen, welke vier banden met twee van de nek tot aan de voeten lopende kettingen verenigd zijn. Behalve de 12 a 15 voeten lange sleepketting, die aan de muur vastzit (volgens opgave van de ijzersmid Brinkman die daar veel van die kettingen en banden vervaardigt) wegen deze min of meer 25 nederlandse ponden en kosten fl. 40,-. Aan dusdanige zware kettingen ligt de geklaagd hebbende neger nu als een woest, verscheurend dier. In deze boeien moet hij het vuur stoken om de lika sterk te doen koken. In deze boeien nu blijft hij onafgebroken vastgeklonken, moetende in dezelve eten, drinken, slapen, en zijn behoefte doen. Op de tien suikerplantages vindt men negen zodanige negers voor het stookgat aan de muur geklonken, die er als een kettinghond door de andere negers gevoed worden ...”

1843 - erven R. Braamcamp, 2218 akkers, suiker, 172 slaven (almanak 1843)

De directeur was R. Peterson ; J. de Jager en J. Zaal voerden de administratie. De slavenbevolking omvatte 173 mensen.

1863 - emancipatie

De plantage wordt niet genoemd in de emancipatieregisters. Ze is tussen 1843 en 1863 buiten productie gesteld.

1864 - 2001 - nader uit te zoeken

2001 - ledig en verlaten.

De plantage schijnt vanaf de slaventijd in eigendom te zijn van de familie Nooitmeer. (geg. van de gids Alwin Francis)

top ^

bronnen

database gereformeerden — Philip Dikland, site Nationaal Archief, 's Gravenhage

inventarisaties

ARA NOT inv. no. 192 p. 517 - jaar 1752
gegevens: suiker, 123 slaven, watermolen, taxatie F 119.700,-
eigenaar:Francois des Loges

ARA NOT inv. no. 216 p. 201 - jaar 1763
gegevens: 1218 akkers, suiker, 163 slaven, watermolen, NF 136.438,-
eigenaar:erven Francois des Loges (1/2 deel) en andere voorkinderen uit het huwelijk met Elisabeth Plequet (1/2 deel)

ARA NOT inv. no. 228 p. 001 - jaar 1768
gegevens: 1218 akkers, suiker, 150 slaven, watermolen, F 141.345,-
eigenaar:de gezamelijke participanten der plantage Arentrust. De inventarisatie is ondertekend door: J: A: Desloges qq. gemachtigd door D: F: Dandiran, voor zichzelf en qq ; W: J: Hoff, voor zichzelf en qq ; W: Lotharius gemachtigd door A: F: Kruijthoff ; W: G: Geerraerts.
David Francois Dandiran was gehuwd met Johanna Catharina des Loges
W.J.Hoff was gehuwd met Geertruida Francina des Loges
Geerraerts was waarsch. geen eigenaar, hij was van 1667-1772 directeur op de plantage.

ARA NOT inv. no. 697 p. 443 - jaar 1769
gegevens: 1218 akkers, suiker, 158 slaven, watermolen, F 194.799,-
eigenaar:J: A: DesLoges

ARA NOT inv. no. 235 p. 181 - jaar 1772
gegevens: 1218 akkers, suiker, 187 slaven, watermolen, F 260.062,-
eigenaar:J: A: DesLoges
top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: