Slootwijk aan de Commetuanekreek

suikerplantage
volksnaam "Baggri" -Bekker
rechteroever in het afvaren
volgorde bij het afvaren: Vossenburg, Slootwijk, Lustrijk, Schoonoord

auteur: Philip Dikland, 2003

Het bedrijfsemplacement van deze oude plantage lag vroeger aan de Commetuane, toen nog een meander van de Commewijnerivier.Het oude gedeelte is thans (2000) geheel overgroeid. De restanten van de bebouwing zijn nog in het bos herkenbaar. De oude sluizen aan de Commetuane — er zijn er 3 - worden geen van alle meer bediend en zijn in verval. Slechts de sluis aan de Commewijne bij het nieuwe bedrijfsemplacement van de SLOC, is nog in redelijke conditie. Deze sluis is van wat jongere datum, vermoedelijk omstreeks 1850.

chronologie

1686 -Fis Muninx (Labadistenkaart 1686)

De naam Muenix is de alleroudste Nederlandse naam in Suriname. De familie had zich al in de Engelse periode in Suriname gevestigd.

Slootwijk is waarschijnlijk aangelegd door G: Muenix, de Raad-Fiscaal ten tijde van Sommelsdijck. Na diens dood in 1688 heeft hij het gezag van de kolonie naar zich toe getrokken (Wolbers, p.81), in de hoop te worden benoemd tot gouverneur. Echter werd Jan van Scharphuizen tot gouverneur aangesteld.

In de boeken der gereformeerde kerk komt de naam Jan Municx voor; het is niet duidelijk of dit dezelfde is als bovengenoemde fiscaal G:(guillaume?) Muenicx. In het jaar 1700 trad hij in het huwelijk:

".....1700 den 7 maart volgens attestatie geproclameert, de achtbaar heer Johan Meunicx geboortigh van Middelburgh in Zeelandt wedr: van wijlen mevrouw anna Elisabeth Meunicx raadt a politie alhier woonende onder dese boven divisie van Commewijne, met juffr: Alarda Hugonia van Sandick J:D: van Wijk te Duurstede in de proventie van Uijtrecht, en de 25 maart door mij [Cornelis Wachtendorp] in huijs getrout, testes Pieter Hendrickse en de heer Sandick...."
(registers ger: kerk)

Uit dit huwelijk zijn 5 kinderen bekend: Josina Agnieta (1704), Maria Pieternella (1706), Jacoba Gerarda (1708), Gillis Johan (1712), en Anna Elisabeth (1711).Uit Meunicx' eerste huwelijk is de dochter Josina Constantia bekend, geboren in 1695.

1710 - erven Arnout van Panelen (1/2 deel der plantage) ; Abraham Cores

Omstreeks 1700 was de plantage Slootwijk voor de helft eigendom van Arnout van Panelen. De eigenaar van de andere helft is niet bekend.

Arnout van Panelen heeft nauwelijks sporen nagelaten in de Surinaamse archieven. Toch heeft hij er gewoond, want in 1696 en 1697 wordt hij genoemd als doopgetuige bij de doop van de kinderen van zijn vriend Abraham Cores. In 1700 was hijlidmaat van de kerk in de divisie beneden-Commewijne, waartoe ook de Commetewane-kreek behoorde:
".... 1700 september 20 de heer Aarnout van Paneel geboortigh van St. Maartensdijk in Zeelandt... "

In 1706 is Arnout overleden. Zijn erfgename Catharina van de Venne verkocht in het jaar 1710 haar erfdeel aan Abraham Cores, voor de som van f 21.000,-. Abraham Cores zou aan Catharine bovendien ieder jaar 1 oxhoofd suiker en 1 vaatje lemmetjessap sturen. (acte 7491 - 625 in het Amsterdams notarieel archief)

Over Abraham Cores, de koper van Slootwijk, is meer bekend. Hij was in 1693 reeds in Suriname, waar hij "in huis" huwde met de weduwe Maria Zeevaert:
".... 1693 september 29 getrout in huijs Abraham Cores J: M: met Maria Zeevaartz wed: van Adriaen Felle beijde geboortigh uijt Middelburgh in Zeelandt, in presentie van Jan van Ruijven ouderlingh, Adriaen Jacobs, Willem Blijk & Susanna van Reuven...."

Uit het huwelijk zijn 4 kinderen bekend:
Abraham junior (1696 - ca. 1728) gehuwd met Susanna van Outena
Francois (1696 - ?)
Maria (1697 - ?) gehuwd met Amand Thomas
Arnoudina Catharina (? - ?) gehuwd met Jacobus de Bruyn Govertszoon

In 1719 huwde Abraham Cores junior met Susanna van Outena. Het huwelijksfeest werd waarschijnlijk op Slootwijk gevierd:
".... 1719 juni 7 ondertrouwt Abraham Cores J: M: geb: in Suriname wonagtig in Commetowane, met Susanna van Outena J: D: geb: van Amsterdam en wonagtig in de Commewijne, den 28 d: bevestigt in de Commewijne door Do: Hijdanus siet folio 322 - David Estor ...."

Cores junior is omstreeks 1728 overleden, want het jaar daarop hertrouwde Susanna.

1737 -Hendrik Talbot (kaart Lavaux 1737)

Hendrik Talbot Senior arriveerde waarschijnlijk omstreeks 1700 in Suriname. Hij huwde er met Maria Brugman:

"....1708 juni 9 ondertrouwt Hendrik Talbot J:M: geb: in den Haag wonagtig in Zuriname, met Maria Bergman geb: van Amsterdam wonagtig in de beneden divisie van Commewijne, den 16 juli bevestigt op plantage Slootwijk gelegen in Commetuane ten overstaan van genoegsaame getuijgen- B: Moda...."

Was Hendrik Talbot in 1708 al mede-eigenaar van Slootwijk ? Waarschijnlijk wel, al woonde hij er niet ; Talbot woonde aan de Surinamerivier, waarschijnlijk op zijn plantage Overbrug. Toch werd het huwelijk niet op Overbrug, maar op Slootwijk gevierd. Talbot was goed bevriend met mede-eigenaar Abraham Cores, die optrad als doopgetuige bij Talbot's kinderen.

Het echtpaar Talbot kreeg 6 kinderen: Anna Maria,Eva Catharina,Hendrik,Thomas,Adriaan, en Abraham David. (geg: kerkeboeken herv. kerk). Ondanks flink zoeken bleken de geboorte- en overlijdensdata van Hendrik en Maria niet te achterhalen. Talbot is een tweede maal gehuwd geweest met Maria Magdalena du Chemin, die in 1776 te Amsterdam is overleden. (kerkeboek 1776)
Ook de plantages Overbrug aan de Surinamerivier, en Mon-repos aan de Paukus kreek behoorden tot het bezit van Talbot. Voorts een plantage hoogaan de Suriname-rivier voorbij de Parnassus berg, maar deze was vanwege zijn geisoleerde ligging waarschijnlijk al verlaten.

1770 -Hendrik Talbot, 1264 akkers (kaart Lavaux 1770)

Bedoeld wordtwaarschijnlijk Hendrik Talbot junior (1716 - 1766, NOT). Deze was in 1748 Raad van Politie en waarnemend raad-fiscaal. Hij was gehuwd met Jacoba Bedloo (1724 - 1769, NOT). Het echtpaar bewoonde in 1750 een groot huis aan de Waterkant no. 10. (z. "accuraate afbeeldinghe").
Hendrik Talbot was echter in 1766 overleden.De informatie op de kaart is dus achterhaald. De plantage werd vermoedelijk ge-erfd door zijn zoon Hendrik Willem Talbot. Ook de overige drie plantages waren nog in het bezit der familie. De suikerplantage Slootwijk aan de Commetewane was zelfs in 1824 nog familiebezit.
Slootwijk was omstreeks 1760 een grote suikerplantage met 265 slaven en een watermolen.

1793-I. H. Talbot, suiker. (almanak 1793)

De plantage werd beheerd door de administrateurs Spillenaar enHenke

1778-april 6Debet Hendrik Wm: Talbot — Aan kerkegeregtigheid voor 't bekentmaken van 't overleijden van vrouwe Charlotta Maria Bennelle Egtgenoote van Mr: Jacobus Hendrik Talbot te Amsterdamf 9,-

1821-wed: Talbot, suiker (almanak 1821)

De administrateurs waren A. van der Kamp enJ. F. C. Becker.Becker was tevens de directeur op de plantage. Hij had geen andere administraties onder zijn beheer.
De plantage heeft de volksnaam "Baggri", oftewel Becker. De directeur Johan Frederich Conrad Becker (1761 - 1827, NOT) moet derhalve een indrukwekkend heerschap zijn geweest — in goede of kwade zin.
In 1830 bezocht Teenstra de plantage om gegevens te verzamelen voor zijn boek. De plantage telde toen 115 slaven. Het riet werd geperst met een waterwerk.

1843 - R. le Chevalier (1/2) ; Sautijn Kluit geb. Talbot (1/2) (almanak 1843)

De directeur was A. A. Wolff ; de administratie werd gevoerd door A. van Meerten en J. Zaal. De slavenmacht telde 137 mensen.

1863 - emancipatie ; Le Chevalier & erven Sautyn Kluit.

De eigenaren der plantage waren:Rudolphe le Chevalier, handelend onder de Firma Jean Jacques Poncelet, (1/2 deel), Hendrik Sautyn Kluit , diens minderjarige zoon Willem Pieter Sautyn Kluit, en Cijpriana Anna Margaretha Susanna Jacoba Vrouwtje Sautyn Kluit (alle drie 1/6 deel). Alle eigenaren woonden te Amsterdam. De "tegemoetkoming" bedroegf 28.800,- en f 600,- voor 94 slaven. De bekende Surinaamse familienamen Nelom en Wimpel stammen van de plantage.

1889 - A. E. Gomperts (almanak 1889)

Gomperts beheerde de plantage zelf. Van de 696 hectare was 43 hectare in cultuur. De plantage produceerde wat cacao en enige bananen.

vanaf 1894 - contractarbeid

In de periode 1894-95 arriveerden 10 brits-indische arbeiders op de plantage, in 1900 gevolgd door 10 Javanen. Pas na 1907, na de aankoop van de plantage door het gouvernement, werden grote aantallen arbeiders geworven. In totaal arriveerden in de periode 1909 tot 1939, 280 brits-indische arbeiders en 1007 javanen. Via de stamkaarten van de arbeiders is te achterhalen wie de eigenaren en/of beheerders waren:

1894 - 1900 G. A. Polak (waarschijnlijk de eigenaar)
1909 - 1914J. van Hall, directeur van de landbouwplantage Slootwijk
1917 - 1920 koloniaal gouvernement, beheerder niet genoemd
1921 -A. Shields, beheerder
1922 - 1925 koloniaal gouvernement
1926 - 1928 C. R. Weytingh, beheerder
1939 -E. Ph. Nahar, beheerder

1907 - gouvernementsrubberonderneming(rapport slootwijk commissie,juni 1913)

In 1907 werd in de koloniale staten een verordening aangenomen, betreffende het oprichten en exploiteren van een gouvernements-rubberonderneming. Als vestigingsplaats werd aangekocht de verlaten plantage Slootwijk, voor een bedrag van F 12.500.-.
Maar om de plantage draaiende te krijgen was nog een verdere grote investering van ca. 160.000,- noodzakelijk.Want de polders en het oude emplacement bleken sterk verwaarloosd.

De werkzaamheden vingen aan in 1909.In 1912 was 270 ha. in cultuur gebracht. en waren er 600 man aan het werk. Naast de hevea-aanplant werd ook koffie en bacoven aangeplant.
In 1911 was de naastgelegen plantage Fortuin eveneens aangekocht om in cultuur te brengen.

Al met al was er een hele activiteit, maar de uitgaven zowel als de inkomsten vielen wat tegen, reden waarom er in 1912 een overheidscommissie werd ingesteld om het bedrijf door te lichten. De commissie schreef in 1913 een uitgebreid rapport, en was over het algemeen gematigd positief.

Toch, ondanks de professionele aanpak,is de overheidsplantage geen succes geworden.In de bananenaanplant — Slootwijk vormde een onderdeel van een veel groter project van 3000 hectare — trad de Panamaziekte op. Deze aanplant was van de zg. Gros-Michel varieteit. Toen de ziekte zich openbaarde, trachtte men het tij te keren door over te gaan op de Congo-varieteit, die niet door de ziekte werd aangetast. Echter kon men geen overeenstemming bereiken met de United Fruit Company, de afnemer van het product,zodat er voor het product geen afzet was.
De Hevea cultures gingen in 1915 teloor door een kwaadaardige bladziekte, de zg. Zuid-Amerikaanse bladziekte. Alle hevea-velden op Slootwijk werden toen omgezet in koffietuinen.

1963 - 1967cooperatieve Landbouwvereniging"Toegoe-Slootwijk"

In 1963 kocht de Nederlandse overheid de plantage van de Nederlandse Handels Maatschappij , als vestigingsplaats voor de zo genaamde Toegoenezen, een kleine schare vluchtelingen die eerst uit Indonesie en daarna uit Nieuw Guinea waren gevlucht.De groep kreeg in Nederland een half jaar opvang, en trok daarna verder naar Suriname. De groep telde ongeveer 170 mensen. De Nederlandse overheid meende dat voor deze groep een toekomst in de Surinaamse landbouw was weggelegd.
Het project was een voorspelbare mislukking. Geen der kolonisten had enige ervaring in de landbouw, laat staan in het zelfstandig organiseren en leiden van een landbouwcooperatie. Voorts gaf de situatie op Slootwijk aanleiding tot spanningen.
".... in Holland had men ons plaatjes laten zien van Suriname. Wij zagen een mooie, goed onderhouden plantage. Die is van jullie, zij men. Wij waren blij, het zag er mooi uit, en we wilden weg, het was zo koud in Holland. Maar in Suriname aangekomen bleek de plantage helemaal kapot. Men had ons plaatjes laten zien van een andere plantage......."
Einde 1964 was het voor iedereen duidelijk dat de vestiging was mislukt. De groep verlangde naar Nederland te vertrekken, maar kreeg pas in 1967 toestemming om zich daar te vestigen. Slechts enkelen hebben ervoor gekozen om in Suriname te blijven. Onder hen de leider en voorvechter van de Toegoenezen, de heer Tanisouw. Hij is in 1972 in Suriname gestorven.

1970 -beschrijving oude emplacement (Temminck-Groll, de architectuur van Suriname 1667-1930, p.330)

In TG's tijd was het oude emplacement aan de Commetuane nog intact. Er stonden nog een goed onderhouden plantagehuis, koffiefabriek, woningen, een hospitaal, een kerkje, en TG beschrijft 2 sluizen.

Maar Temminck-Groll's beschrijving is niet volledig. In Mei 2001 maakten Dikland en Hagemeijer een tocht langs de Commetuane met Tony Thiong, een jonge javaanse man van Sinabo. De kreek moet welhaast een van de mooiste plekjes op aarde zijn. Tony vertelde dat van geen der oude plantages nog sluizen waren overgebleven, behalve Hooiland en Slootwijk. Bij beide plantages werd de boot aangelegd.
Hooiland is volledig met moerasbos overgroeid, en na een moeizame tocht door het moeras kwam men bij een moderne betonnen sluis, zoals die ook op Constantia en andere plaatsen te vinden is. Niet erg interessant.
Slootwijk bleek daarentegen indrukwekkend.Aan de Commetuane telt de plantage 3 stuks 18e-eeuwse sluizen, waarvan 1 grote loossluis aan de bovengrens, 1 grote loossluis die vroeger de inneemsluis was, en op 100 meter daarvandaan 1 kleine loossluis in het kanaal van de vroegere watermolen. De twee laatstgenoemde sluizen bevinden zich beide ter plaatse van het oude emplacement. Voorts is er nog een mooie bakstenen sluis aan de Commewijnerivier.
Tony vermeldde voorts het bestaan van een oud graf op ca. 1 km loopafstand van de landingplaats, maar er was geen tijd meer om ernaar te zoeken.

2000 - Stichting Landbouw Ontwikkeling Commewijne (SLOC)

Omstreeks 1980 werd de plantage geschikt gemaakt voor rijstbouw, en werd een nieuw bedrijfsemplacement met woningen, kantoren, loodsen, en een haven aangelegd aan de oever van de Commewijne. Om de rijstpolders van voldoende water te kunnen voorzien, werden kanalen gegraven naar kreken 30 km verderop. De totale investering werd gwfinancierd uit Nederlandse ontwikkelingshulp, en schijnt ca. NF 176.000.000,- te hebben bedragen.
De zandige ondergrond bleek echter niet geschikt voor rijst, en het dure project werd een fiasco. Ongetwijfeld zullen consultants en aannemers er goed aan hebben verdiend. Sinds die tijd zijn er geen noemenswaardige bedrijfsactiviteiten meer ontplooid. Er grazen wat koeien, en er is wat citrus geplant. Het nieuwe emplacement verkeert nog in redelijke conditie, maar is geheel verlaten.

top ^

bronnen

databases:

Philip Dikland — oud archief der burgerlijke stand in Suriname

Heinrich Helstone, Okke ten Hove e.a. - database emancipatieregister 1863

Maurits Hassenkhan — database hindustaanse en javaanse immigratie.

boeken en artikelen

Rapport der Slootwijk-commissie, benoemd bij G: R: 15 Juni 1912 No. 3014,eindrapport juni 1913

H. de Vries — De Toegoenezen in Suriname, 1967

inventarisaties en contracten:

1710-01-11- GAA 7491 - 625
Catharine van de Venne, weduwe van Anthonie Vrijhoff en dochter van wijlen Jacomine de Vos, weduwe van Laurens van Panelen, die erfgename was van haar zoon Arnout van Panelen (overleden 17 juli 1706) wiens testament bekrachtigd was door Abraham Kinckhuijsen, secretaris van Suriname, en wier testament op 3 November 1709 opgemaakt was door notaris Willem Cramers te Middelburg, bijgestaan door Pieter van den Spang, koopman te Amsterdam,
komt met Jan Baptista Malsen, koopman te Amsterdam en gemachtigde van Abraham Cores, raad van Suriname, tot een accoord ten aanzien van een halve suikerplantage, "Slootwijk" geheten.
Eerste comparant verkoopt deze plantage voor 20.000 gulden @ 20 stuijvers het stuk aan tweede comparant ; de inboedel waaronder de slaven wordt verkocht voor 1000 gulden @ 20 stuivers het stuk.
De plantage is groot 1800 ackers, en is gelegen tussen de mond van de Commetuane en de "Mouricia kreek". Ook wordt een stuk land aan de overzijde der Commetuane creecq, volgens de warrandenkaart, en een stuk land groot 600 akkers bij de Warraperan verkocht.
Lasten en baten van voor 1 juli 1708 zijn voor koper. Eerste comparant krijgt van tweede comparant haar leven lang jaarlijks 1 okshoofd suiker en 1 "pulle met limisjes"

1760 - ARA NOT inv. no. 208 p. 096
gegevens:1070 akkers, suiker, 267 slaven, watermolen
eigenaar:Maria Magdalena Duchemin, weduwe van Hendrik Talbot ; mr. Jacobus Hendrik Talbot

1761 - ARA NOT inv. no. 209 p. 315
gegevens: 1070 akkers, suiker, 265 slaven, watermolen
eigenaar:Maria Magdalena Duchemin, weduwe van Hendrik Talbot ; mr. Jacobus Hendrik Talbot

contactpersonen

contact SLOC, dhr. Manodj, tel: 0862979, weg naar Alkmaar no. 258
contact voor boottrips langs de Commetuane: Tony Tiong, 1e huis rechterhand na de brug over de Commetuane.
top ^
login
Zoek in deze site:
Selecteer plantage: