Stolkertsijver Courcabo aan de boven-Commewijnerivier
volksnaam : niet bekend
Rechteroever in het afvaren
Volgorde : Makreabo aan Potribo (voorheen: Utrecht) - Stolkertsijver (voorheen: Courcabo) - Arendsrust Siparipabo Penoribo
De plantage Stolkertsijver was vroeger bekend onder de naam Courcabo. In de oude tijd was het een suikerplantage.
chronologie
- circa 1670 - Pieter Versterre
- 1686 - Jan Ridderbagh
- 1687 - kerkegrond (J.W.C. Ort 2000 p. 47)
- 1737 - Charles Godeffroy (kaart Lavaux 1737)
- 1771 - Jan Nepveu
- 1793 - F.C. Stolkert (almanak 1793)
- 1821 - S. H. de la Parra (almanak 1821)
- 1863 - emancipatie
- circa 1960 - aanleg Oost-West verbinding
circa 1670 - Pieter Versterre
Waarschijnlijk is Pieter Versterre, commandeur en interim-gouverneur van Suriname vanaf 1671 tot 1677, de aanlegger van Courcabo. Hij bezat vier plantages : Courcabo, Imotapi, Sterrenburgh, en een plantage aan de Para.Versterre overleed in 1677. Tijdens zijn leven waren er al klachten over hem, maar pas na zijn overlijden bleek dat hij op grote schaal had gefraudeerd. In totaal had hij bij zijn overlijden een schuld aan het gouvernement van 345.171 Pond suiker, vergelijkbaar met de waarde van 12 goede plantages. De vraag is nu: was Versterre een uitzondering, of was dergelijk gedrag normaal onder 17e eeuwse koloniale gezagdragers ? Versterre is in ieder geval niet ontslagen, terwijl men in Zeeland via de brieven van de ontvanger Combe goed op de hoogte was van het misbruik.
Plantage Courcabo had in de jaren 1673 - 1677 geen hoofdgeld betaald voor de slaven, en stond derhalve bij de belastingdienst in het krijt. Op Courcabo en Imotapi samen waren er 60 slaven (RAZ 2035 - 283).
1686 - Jan Ridderbagh
In 1686 werd door de labadistengemeenschap van Suriname een overzichtkaart van het bewoonde deel van Suriname vervaardigd. Op deze kaart staat Jan Ridderbagh vermeld op de plaats waar Courcabo ligt.Jan Ridderbagh was gehuwd met Maria Hardebil. In 1692 kreeg het echtpaar een tweeling , die werd gedoopt in de kerk van beneden-Commewijne.
Tweelingen hadden in die tijd weinig kans om te overleven. Johanna is inderdaad al snel overleden, maar Catharina werd volwassen. Verder is bekend Andreas Ridderbag "geboren in Commewijne", mogelijk een zoon van Jan en Maria, hoewel hij niet vermeld staat in het doopregister.
In 1694 schreefhet echtpaar zich in als lidmaten van de kerk van de benedendivisie. Die kerk stond overigens op hun eigen plantage :
Omstreeks 1695 is Jan Ridderbag overleden. Maria hertrouwde in 1696 met Willem Pedij junior (?-1724) uit Amsterdam, eigenaar van de plantage Appecappe hogerop de Commewijnerivier.
1687 - kerkegrond (J.W.C. Ort 2000 p. 47)
"... Deze kerkengrond komt overeen met wat in de resolutie (notulen gouverneur en raden october 1687) genoemd wordt "bij de heer Snelleman". In de onmiddelijke nabijheid van zijn plantage lag de oude plaats die Curcabo heette. Het bleef kerkengrond van Beneden Commewijne. Wanneer de eerste kerk daar gebouwd is bleek mij uit de officieele gegevens niet. Wel dat de eerste kerk in 1702 reeds weer vervallen was. Dan is er behoefte aan een nieuw "huys voor de godsdienst" in Beneden Commewijne. In 1703 (notuelen gouverneur en raden 17 april) is deze kerk nagenoeg gereed. Courcabo lag tussen Arendslust en Stolkertsijver. Zoals te begrijpen is bij de toenmalige grote betekenis van het district Beneden Commewijne was men erop uit nu eens een degelijker kerkgebouw te zetten dan vroeger gebeurd was. Notulen van gouverneur en raden 12 januari 1702 geven de voorgeschreven maten op: "50 voet lang, 30 voet breed, van goed bolletrie hout, rondom met planken beleit en met cingels bedekt". Dit kerkgebouw is in de loop der volgende jaren vaak hersteld en vernieuwd. Maar op deze plaats bleef de kerk van de gemeente Commewijne staan tot aan het einde van het bestaan der gemeente. Nog in 1789..." (Ort p. 47)Datum onbekend Jeronimo Clifford
De kerkregisters vertonen tussen 1722 en 1755 grote hiaten. Clifford is via zo'n hiaat verdwenen. Er is niets over hem bekend, behalve dan dat hij schulden had, en de plantage uiteindelijk werd geveild (zie bij 1771). De nieuwe eigenaar was Charles Godeffroy.
1737 - Charles Godeffroy (kaart Lavaux 1737)
Charles Godeffroy was eigenaar van de plantages Alkmaar en Lodewijksburg. Voor meer bijzonderheden zie bij plantage Alkmaar aan de beneden-Commewijne.Courcabo was 900 akkers groot. In de kerkeboeken staat het overlijden van plantagepersoneel vermeld :
"... 1738 - Per Charles Godeffroy qq: ontvangen voor kerkegeregtigdheid weegens 't overleyden van Hend: Maurits Smith in dienst op de plant: Corcabof 5,- ..."
In 1759 was er veel onrust vanwege acties van de marrons in het plantagegebied. Ook Arendsrust en Courcabo werden overvallen, maar niet ernstig: de marrons hadden het gemunt op de voedselvoorraad. Hun eigen kostgronden waren in 1758 door patrouilles vernietigd.
Vanaf circa 1750 was Pieter Mauricius, een zoon van de gouverneur Jan Jacob Mauricius, de eigenaar van de plantage ; hij had deze overgenomen van Godeffroy, die zijn stiefvader was (zie bij 1771). Hij was als vaandrig en adjudant meegekomen met zijn vader, de gouverneur Joan Jacob Mauricius. Hij werd in 1743 aangesteld tot vendumeester. Het jaar daarvoor was hij getrouwd met Anna Magdalena Bleij (1724-1781), dochter van de commandeur Bleij.
Pieter was de aanlegger van de plantage Purmerend, en door zijn huwelijk werd hij eigenaar van de plantages Courcabo en Simiritibo. Het echtpaar bewoonde het grootste huis van Paramaribo, ter plaatse waar nu de Petrus en Paulus kathedraal staat. In 1747 vestigde Pieter zich met zijn gezin in Nederland te Purmerend, maar in 1752 kwamen zij naar Suriname terug. In 1753 werd Pieter benoemd tot Raad van Politie. (C. A. van Sijpesteijn, p.131). In 1757 scheidde hij van zijn echtgenote (overigens op haar verzoek). Zij wordt vanaf die tijd aangeduid als "de weduwe Pr: Mauricius". Later erfde zij diens bezit.
Anna was ondanks de kerk op haar plantage uiterst berucht vanwege de behandeling van haar slaven. Zou zij iedere zondag trouw in de kerk hebben gezeten ?De kerk heeft haar nooit op haar gedrag aangesproken. Gereformeerde kerk en gouvernement werkten immers nauw samen.
Wolbers en Dragtenstein berichten over haar als volgt:
"... Mevrouw de wed. P. Mauricius, een boosaardige vrouw, was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren.
Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van "Ik wil niet dat een neeger van mij met soo een glad vel sal in de bosch lopen", liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en "half afschinden en villen". Drie van de slaven, een timmerman genaamd Isaak en twee meiden, bezweken onder de behandeling ..." (not. Gouv. En rad. 13 juli en 3 augustus 1761 ; Wolbers 1970 p. 289)
In de nacht van 26 op 27 juli 1761 vluchtten er 21 slaven : negen mannen, 10 vrouwen, en twee kinderen. Zij zochten bescherming bij de aucaanse marrons, die echter door het vredesverdrag van 10 october 1760 gebonden waren om vluchtelingen uit te leveren. Het gouvernement verzocht dan ook om hun uitlevering. De aucaanse hoofdman Pamo weigerde dit echter, en werd hierbij gesteund door de andere opperhoofden. Zij stelden dat deze slaven uit noodweer waren gevlucht, omdat hun leven in gevaar was. Desondanks drong het gouvernement aan op de uitlevering. De opperhoofden vroegen daarop Isaak naar hun toe te sturen, ten bewijze dat het verhaal van de vluchtelingen onwaar was. Dan zouden zij de slaven meteen uitleveren. (Dragtenstein 2002, p. 208)
Het bestuur liet een onderzoek doen naar het handelen van de weduwe en stuurde de kapitein lieutenant Kruythof naar Courcabo. Dit onderzoek leverde dermate belastende feiten op dat de weduwe van haar plantage werd verwijderd en een geldboete kreeg opgelegd.
In 1762 huwde Anna Bley met Martinus Lodovicus Whijts. Door dit huwelijk herkreeg zij het bestuur over de plantage en hervatte haar tyrannie over de slaven. Uit 1765 is er een inventaris bekend, waaruit blijkt dat de plantage verhypothekeerd was. In 1771, na de dood van Whijts, werd de plantage geveild. En daarmee kwam dan tenslotte een einde aan de wandaden van Anna Bley op Courcabo. Zij leefde nog tot 1782.
1771 - Jan Nepveu
In September 1771 kocht gouverneur Jan Nepveu de plantage op een veiling :
De plantagie Courcabo is heeden weeder bij Executie verkogt, de laatste Eygenaar is de Wed: Whijts, voortijds Wed: Pieter Mauricius, die dezelve plantage met gemelde zijn Huijsvrouw A: M: Bleij uijthande van deszelfs stiefvader de heer Charles Godeffroy had overgenoomen met een rente daarop gevestigt van f 3000,- sijn leeven lang geduurende, welke Heer Godeffroij dezelve meede bij Executie had gekogt op aanwijsing van Abr: Gillebert, als gequalificeerde van Jeronimo Cliffort, voor diverse schulden van gem: Clifford, waarvan den Heer Gouverneur de Bewijzen als nu magtig is geworden, hebbende de plantage gekogt (voor de steen fabriecq met Dr Moesner op de plantage Appecappe aangelegt, omdat van daar 't land word gehaald) voor F30.500,- Surinaams, behalve gemelde Rente, die daar op gevestigt blijft, zijnde die plantage so wegens de sandritse als anders altoos ruinant voor den Eijgenaar, die dezelve ter culture van Zuijker of Coffij wil gebruijken ..."
Zoals blijkt uit het bovenstaande, werd te Courcabo een steenfabriek opgericht. Nepveu had al een dergelijk bedrijf op zijn plantage Appecappe, en dat draaide goed.
1793 - F.C. Stolkert (almanak 1793)
Courcabo produceerde koffie. J.F. Schuts was de directeur van de plantage. Stolkert beheerde zijn bezit zelf.Frederik Cornelis Stolkertwas gehuwd met Maria Susanna Duplessis. Voor meer gegevens zie bij plantage Nijd en Spijt aan de beneden-Commewijne.
In 1809, na de dood van Frederik Cornelis Stolkert, werd Courcabo geveild. De Surinaamse Courant annonceerde op 17 juli als volgt :
H.F. MATILE, J. EMBRICQS en N.W. de REUS, als beheerende den Boedel van Wylen F.C. STOLKERT en J.A. ROBIN als gemachtigde van vrouwe A.M. TAUNAY geboren SCHARFF, zullen binnen de tyd van een jaar, den precise dag nader te bepaalen, alhier publicq of uit de hand verkoopen, de Steen en tichel fabricque Courcabo, alsmeede de bloote Grond van de Plantagie Stolkers Yver en de Grond Yvershulp te vooren genaamd Yzingshulp, alle geleegen aan 't Rivier boven Commewyne ; wyders presenteeren zy dadelyk uit de hand te koop de aan gemelde Plantage behoorende Gereedschappen als: Zuiker en Dram Ketels met hunne toebehoren, Rolders, Trommels, Gutten, Brandstaaven, Koopere Lepels, Schuymers, Bekkens, etc. alsmeede de nog aldaar staande gebouwen waaronder een Molen en Kookhuis voor een Beeste werk, en van best Hout getimmerd. De Inventaris en Koop conditien liggen ter Visie van de gegaadigdens ten Comptoir van J.A. ROBIN alwaar ook te bekomen is Authorisatie ter bezigtiging van voorsz. Effecten.
AAN DIE HET MOGE AANGAAN
1821 - S. H. de la Parra (almanak 1821)
Courcabo ofwel Stolkertsijver fungeerde als kostgrond. J. Rudelson was de beheerder van de grond. De la Parra administreerde zijn bezit zelf.M.D. Teenstra schreef in 1835 een boek over de landbouw in Suriname. Stolkertsijver was toen al verlaten.
1863 - emancipatie
De plantage was reeds lang verlaten en komt niet voor in de emancipatieregistercirca 1960 - aanleg Oost-West verbinding
Van de plantage Courcabo / Stolkertsijver zijn er geen restanten overgebleven.
Nepveu noteerde al in 1771, dat "wegens de sandritse" de plantage moeilijk te exploiteren is. Dwars door de plantage loopt namelijk de grote zandrits, die van oost naar west door geheel Suriname loopt. Slecht voor de landbouw, maar uitstekend geschikt als ondergrond voor een weg. De Oost-West verbinding is daarom op deze rits aangelegd en loopt dwars door Stolkertsijver.
Na de aanleg van de weg trokken de mensen geleidelijk weg van de oude plantagekampongs, en vestigden zich langs de weg ; want de verbinding met Paramaribo was daar veel beter.
Van 1960 tot 1980 was er een veerverbinding over de Commewijne. In 1980 werd er een brug gebouwd, naar ontwerp van het ingenieursbureau Rustwijk & Rustwijk. Aannemingsbedrijf Van Kessel verzorgde de uitvoering van het werk. In 2002 werd het staalwerk gerenoveerd en geconserveerd. De brug heeft thans (2004) een fraaie lichtgroene kleur en staat er als nieuw bij.
De bar bij de brug is het trefcentrum van de buurt. Wie iets te weten wil komen van de oude plantages, moet hier zijn oor te luisteren leggen. Toch is de herinnering aan het oude Courcabo verdwenen. Men weet niet dat de woning van de wrede mevrouw Mauricius ooit op dezelfde plaats stond als de bar waar nu het zondags biertje wordt genuttigd. Belangrijk is het ook niet meer. De slaventijden zijn voorgoed voorbij. Het Suriname van vandaag is een bloeiende samenleving van volwaardige vrije mensen met alle kleuren van de wereld.
bronnen
- boeken en artikelen
- databases op het internet
- inventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag
boeken en artikelen
Frank Dragtenstein De ondraaglijke stoutheid der weglopers uitg. Univ. Utrecht, 2002 ; p. 208 e.v.J.W.C. Ort Surinaams verhaal vestiging van de hervormde kerk in Suriname (1667-1800) Uitg. Walburg pers, 2000 ; p.47 over Courcabo
databases op het internet
Philip Dikland oud archief der burgerlijke stand in Surinameinventarisaties in het notarieel archief van het NA, den Haag
- 1765 - ARA NOT inv. no. 220 f. 437
- 1771 - ARA NOT inv. no. 234 f. 47
- 1775 - ARA NOT inv. no. 242 f. 671
- 1765 - ARA NOT inv. no. 220 f. 437
-
ligging :Commewijne aan de linkerhand tussen de plantages Arentlust en Potribo
gegevens :900 akkers, 51 slaven, beestenmolen, suiker, tayer, bananen, verlaten grond, bos, moestuin, begraafplaats, weidegrond, hoornbeesten, ossen ; de gronden hebben namen
eigenaar :A: M: Whijts geboren Bleij
verzoeker :A: van Potthuijsen, gemachtigd door Theodore van Marselis en C: H: Pottendorff, als agendarissen van het fonds van Negotiatie onder directie van Jan en Theodore van Marselis
directeur :N: van Pothuijsen
gebeurtenis :wederoverdracht der plantage aan: A: M: Whijts-Bleij - 1771 - ARA NOT inv. no. 234 f. 47
-
ligging :Commewijne aan de linkerhand tussen de plantages Arendrust en Potribo
gegevens :900 akkers, 45 slaven, beestenmolen, suiker, koffie, cappewerie, tayer, bananen, hoornbeesten, geiten, varkens, moestuin, werkossen
eigenaar : -
verzoeker :N: R: van Hout en C: W: van Jeekel, raden van Hof van Civiele Justitie, die toendertijd Philip Stolting als sequestor hebben aangesteld voor de administratie der plantage
directeur :Evert Bergh
gebeurtenis : De plantage was onder sequestratie geplaatst. Door het Hof van Civiele Justitie aangestelde sequester: Philip Stolting
Opheffing der sequestratie ; Overdracht van eigendom aan: de heren Moesner en Compagnie, kopers der plantage - 1775 - ARA NOT inv. no. 242 f. 671
-
ligging :Commewijne aan de linkerhand tussen de plantages Arentlust en Potribo
gegevens :900 akkers, 52 slaven, beestenmolen, vroeger suiker, bananen, kostgronden, tayer, cassave, varkens, moestuin, hoornbeesten, geiten, schapen, paarden, taxatie: Nf 74.809,-
eigenaar :Jan Nepveu ; gebroeders Stolkert
verzoeker :Jan Nepveu, Fredrick Cornelis Stolkert en Adriaan Gootenaar ; de eerste als eigenaar, erfgenaam, en executeur,de tweede als mede-erfgenaam en mede-executeur opkomende voor de broers, evenals de derde (Elisabeth Buys, echtgenote van Jan Nepveu, was voorheen gehuwd met Stolkert)
directeur :D: Breukelman
gebeurtenis : erflater: Elisabeth Buys, echtgenote van Jan Nepveu, gouverneur generaal van Suriname, in gemeenschap van goederen gehuwd
